Follow TED
Be the first to know about new TEDTalks, TED news and other announcements.
Click on any phrase to play the video from that point.
Dit is een foto van Maurice Druon, de Eresecretaris Voor Het Leven van de Académie française -- de Franse Academie. Hij is prachtig uitgedost in zijn uniform van 68.000 dollar, dat recht doet aan de rol van de Académie als de regelgever van het correcte gebruik van het Frans en de voortzetting van de taal. De Académie heeft twee hoofdtaken: ze stelt een woordenboek samen van het officiële Frans -- ze werken nu aan hun negende editie, die startte in 1930, en ze zijn nu bij de letter P. Ze maken ook regels over het correcte gebruik, zoals de juiste term voor wat de Fransen "email" noemen, wat "courriel" zou moeten zijn. Het World Wide Web, zo wordt de Fransen gezegd, moet worden aangeduid als "la toile d'araignée mondiale" -- het Wereldwijde Spinnenweb -- aanbevelingen die de Fransen vrolijk in de wind slaan.
Dit is één van de modellen voor het ontstaan van taal: dat ze wordt geregeld door een academie. Maar iedereen die taal bekijkt, beseft dat dat van nogal dwaze arrogantie getuigt. Taal ontstaat eerder uit menselijke breinen die op elkaar inspelen. Dit kan je zien aan de niet te stoppen verandering van taal -- aan het feit dat tegen de tijd dat de Académie klaar is met haar woordenboek, het al helemaal verouderd zal zijn.
We zien het aan het constante verschijnen van slang en jargon, aan de historische taalverschuivingen, aan de divergentie van dialecten en aan de vorming van nieuwe talen. Taal is dus niet zozeer een vormgever van de menselijke natuur als een venster op de menselijke natuur. Ik werk momenteel aan een boek waarin ik taal hoop te gebruiken om een licht te werpen op sommige aspecten van de menselijke natuur, met inbegrip van de cognitieve machinerie waarmee mensen de wereld in begrippen vatten, en de soorten relaties die de menselijke interactie regelen. Ik ga vanmorgen een paar woorden zeggen over al deze dingen.
Laat me beginnen met een technisch taalprobeem dat me al een hele tijd dwars zit. Ik hoop dat jullie me zullen toelaten om stil te staan bij mijn passie voor werkwoorden en hun gebruik. De kwestie is: welk werkwoord past in welke constructie? Het werkwoord is het chassis van de zin. Het is het raamwerk waar de andere delen op worden vastgezet.
Laat me jullie snel herinneren aan iets dat jullie allang vergeten zijn. Een onovergankelijk werkwoord, zoals "dineren", kan geen lijdend voorwerp hebben. Je moet zeggen "Sam dineerde," niet "Sam dineerde de pizza." Een overgankelijk werkwoord legt op dat er een voorwerp moet zijn: "Sam verslond de pizza." Je kan niet gewoon zeggen "Sam verslond." Er zijn tientallen, massa's werkwoorden van dit type. Elk geven ze vorm aan hun zin. Als je uitlegt hoe kinderen taal leren, als je taalles geeft aan volwassenen, zodat ze geen grammaticale fouten maken, en als je computers programmeert om taal te gebruiken, is het een probleem welke werkwoorden welke constructie hebben.
De datieve constructie in het Engels, bijvoorbeeld -- je kan zeggen "Geef een muffin aan een muis," de datief met voorzetsel, of "Geef een muis een muffin," de dubbele-objectsdatief, "Beloof alles aan haar," "Beloof haar alles" enzovoort. Honderden werkwoorden kunnen op de twee manieren. Een verleidelijke generalisering voor een kind, een volwassene of een computer is deze: elk werkwoord dat kan verschijnen in de constructie "onderwerp-werkwoord-ding-aan ontvanger", kan ook worden uitgedrukt als "onderwerp-werkwoord-ontvanger-ding". Dat is handig, want taal is oneindig, en je kan niet gewoon de zinnen nazeggen die je hebt gehoord. Je moet er generaliseringen uithalen zodat je nieuwe zinnen kan produceren en begrijpen. Dit is een voorbeeld van hoe je dat doet.
Helaas zijn er blijkbaar idiosyncratische uitzonderingen. Je kan zeggen "Jan reed de auto naar Chicago," maar niet "Jan reed Chicago de auto". Je kan zeggen "Sal bezorgde Jason hoofdpijn" maar "Sal bezorgde hoofdpijn aan Jason" klinkt wat gek. De oplossing is dat deze constructies, ondanks de eerste indruk, niet synoniem zijn. Als je menselijke cognitie onder de microscoop legt, zie je een subtiel verschil in betekenis tussen beide. Dus "Geef het X aan de Y" -- die constructie stemt overeen met de gedachte "Doe X naar Y gaan." Maar "Geef de Y het X" stemt overeen met de gedachte "Zorg dat Y X krijgt."
Vele dingen kan je op beide manieren construeren, zoals de klassieke illusies waarbij voor- en achtergrond omwisselen. Ofwel besteed je aandacht aan een bepaald object, waardoor de ruimte eromheen uit je bewustzijn verdwijnt, ofwel zie je de gezichten in de lege ruimte, waarbij het voorwerp uit je bewustzijn verdwijnt. Hoe wordt dat in taal weergegeven? In beide gevallen wordt het ding dat iets ondergaat uitgedrukt als het lijdend voorwerp: het zelfstandig naamwoord na het werkwoord. Denk aan de gebeurtenis als "ervoor zorgen dat de muffin ergens heengaat" -- als je iets doet met de muffin -- dan zeg je "Geef de muffin aan de muis." Als je het opvat als "zorg ervoor dat de muis iets krijgt", dan doe je iets met de muis, en dus druk je het uit als "Geef de muis de muffin".
Welke werkwoorden bij welke constructie horen -- mijn originele kwestie van bij het begin -- hangt af van de vraag of het werkwoord een soort beweging uitdrukt, dan wel een soort verandering in bezit. "Iets geven" impliceert tegelijk zorgen dat iets gaat en zorgen dat iemand iets krijgt. "De auto besturen" zorgt er alleen voor dat iets gaat, want Chicago is niet het soort ding dat iets kan bezitten. Alleen mensen kunnen dingen bezitten. "Iemand hoofdpijn bezorgen" zorgt ervoor dat ze hoofdpijn hebben, maar het is niet alsof je de hoofdpijn uit je hoofd haalt en ze naar de andere persoon doet gaan en ze dan in diens hoofd wil krijgen. Misschien ben je gewoon luidruchtig of vervelend, of bezorg je ze de hoofdpijn op een andere manier. Dat is dus een voorbeeld van waar mijn dagelijks werk in bestaat
Waarom zou iemand dat interessant vinden? Je kan een aantal interessante conclusies trekken uit deze en vele andere soortgelijke analyses van honderden Engelse werkwoorden. Ten eerste is er een niveau van fijnmazige conceptuele structuur, die we automatisch en onbewust samenstellen telkens als we een zin produceren of uitspreken. Die bestuurt ons taalgebruik. Je kan dit beschouwen als de taal van het denken, of "mentalees".
Het lijkt gebaseerd op een vaste set van concepten die tientallen constructies en duizenden werkwoorden beheerst -- niet alleen in het Engels maar ook in alle andere talen -- fundamentele concepten zoals ruimte, tijd, oorzakelijkheid en menselijke intentie -- bijvoorbeeld, wat is het middel en wat is het doel? Die doen ons denken aan de categorieën waarvan Immanuel Kant beweerde dat ze het basisraamwerk zijn voor het menselijke denken. Het is interessant dat ons onbewuste taalgebruik de Kantiaanse categorieën lijkt te weerspiegelen -- het hecht geen belang aan de zintuiglijke kwaliteiten, zoals kleur, textuur, gewicht en snelheid, die bijna nooit bepalend zijn voor een onderscheid in het gebruik van werkwoorden in verschillende constructies.
Een bijkomende kronkel is dat alle constructies in het Engels niet alleen letterlijk worden gebruikt, maar ook in quasi-overdrachtelijke zin. Deze constructie bijvoorbeeld, de datief, wordt niet alleen gebruikt om dingen over te brengen, maar ook voor de metaforische overdracht van ideeën, bijvoorbeeld in "Ze vertelde een verhaal aan mij", of "Ze vertelde me een verhaal." "Max leerde Spaans aan de studenten" of "leerde de studenten Spaans". Het is exact dezelfde constructie, maar er zijn geen muffins en geen muizen. Er beweegt helemaal niets. Het doet denken aan de "verpakkings"-metafoor voor communicatie, waarbij we ideeën als objecten zien, zinnen als verpakkingen, en communicatie als een soort verzending. We zeggen dat we onze ideeën "verzamelen" om ze "in" woorden te "vatten". en als onze woorden niet "leeg" of "hol" zijn, dan kunnen we deze ideeën "tot bij" de lezer brengen, die ze dan kan "uitpakken" om de "inhoud" "eruit te halen".
Dit soort breedsprakerigheid is niet de uitzondering maar de regel. Het is heel moeilijk om voorbeelden te vinden van abstract taalgebruik die niet gebaseerd zijn op een concrete metafoor. Je kan bijvoorbeeld het werkwoord "gaan" gebruiken met de voorzetsels "naar" en "van", in een letterlijke ruimtelijke zin. "De boodschapper ging van Parijs naar Istanbul". Je kan ook zeggen: "Jans gezondheid ging van goed naar slecht." Hij moet nergens heen. Hij lag misschien de hele tijd in bed, maar het is alsof zijn gezondheid een punt is in de status-ruimte die je je voorstelt als bewegend. Of "De vergadering duurde van drie tot vier." Daarbij beschouwen we tijd als uitgestrekt langs een lijn. Op dezelfde manier gebruiken we "forceren" niet alleen in verband met fysieke kracht -- zoals "Rose forceerde de deur om open te gaan" -- maar ook voor interpersoonlijke kracht, zoals "Rose forceerde Sadie om te gaan" -- niet noodzakelijk door haar beet te pakken, maar door te dreigen -- of "Rose forceerde zichzelf om te gaan," alsof er twee entiteiten in het hoofd van Rose zaten, die een partijtje armworstelden.
De tweede conclusie is dat we het vermogen hebben om een gebeurtenis op twee manieren voor te stellen -- zoals "ervoor zorgen dat iets naar iemand gaat" en "ervoor zorgen dat iemand iets krijgt. Dat is volgens mij een fundamenteel kenmerk van het menselijke denken. Het is de basis voor veel menselijke argumentatie, waarbij mensen het niet zozeer oneens zijn over de feiten als over hun interpretatie. Ik geef je een paar voorbeelden: "een zwangerschap beëindigen" versus "een foetus doden", "een hoopje cellen" versus "een ongeboren kind", "Irak binnenvallen" versus "Irak bevrijden", "rijkdom herverdelen" versus "beslag leggen op inkomsten". Ik denk dat het ruimste plaatje van al ernstig rekening zou houden met het feit dat onze woordenrijkdom over abstracte gebeurtenissen zo vaak gebaseerd is op een concrete metafoor. Volgens mij is menselijke intelligentie zelf een repertoire van concepten -- zoals objecten, ruimte, tijd, oorzakelijkheid en intentie -- die nuttig zijn voor een sociale, kennisintensieve soort, waarvan je je de evolutie goed kan inbeelden. Daarnaast een proces van metaforische abstractie dat ons toelaat om deze concepten van hun oorspronkelijke inhoud te ontdoen -- ruimte, tijd en kracht -- en ze toe te passen op nieuwe abstracte domeinen. Dat maakte het mogelijk dat een soort die was geëvolueerd om met rotsen en gereedschap en dieren om te gaan, in staat was om wiskunde in begrippen te vatten, en fysica, en recht, en andere abstracte domeinen.
Ik had gezegd dat ik over twee vensters op de menselijke natuur zou praten. Na de cognitieve machinerie waarmee we de wereld in begrippen vatten, ga ik een paar worden zeggen over de soorten relaties die menselijke sociale interactie beheersen, nogmaals zoals ze in taal zijn weerspiegeld. Ik begin met een raadsel: het raadsel van de indirecte uitingen. De meesten van jullie hebben allicht de film "Fargo" gezien. Misschien herinner je je de scène waarin de kidnapper staande wordt gehouden door een agent. Hij krijgt de vraag zijn rijbewijs te tonen en steekt zijn portefeuille uit, met een 50-dollarbiljet dat lichtjes uit de portefeuille steekt. Hij zegt: "Ik bedacht dat we dit misschien wel hier in Fargo konden afhandelen." Iedereen, met inbegrip van het publiek, interpreteert dit als verholen omkoperij. Dit soort indirecte taal is overal in de taal. Bijvoorbeeld, in vriendelijke verzoeken, als iemand zegt: "Als je de guacamole zou kunnen doorgeven, dat zou fantastisch zijn." We weten exact wat hij bedoelt, ook al is het een eerder bizar begrip dat hij uitdrukt.
"Kom je mee naar boven om mijn etsen te bekijken?" Ik denk dat de meeste mensen de achterliggende bedoeling begrijpen. Dat geldt ook als iemand zegt: "Leuke winkel heb je daar. Zou zonde zijn als daar wat mee gebeurde." (Gelach) We begrijpen dat als een verholen bedreiging eerder dan als een mijmering over hypothetische mogelijkheden. Het raadsel is dus: waarom zijn steekpenningen, beleefde verzoeken, vragen en bedreigingen vaak zo verholen? Je maakt niemand wat wijs -- beide partijen weten exact wat de spreker bedoelt, en de spreker weet dat de luisteraar weet dat de spreker weet dat de luisteraar weet etcetera. Wat is er dus aan de hand?
Ik denk dat de kernidee is dat taal een manier is om relaties te managen. Menselijke relaties vallen in een aantal types uiteen. Er bestaat een invloedrijke taxonomie van de antropoloog Alan Fiske. Daarin kunnen relaties min of meer worden gecategoriseerd volgens gemeenschappelijkheid, volgens het principe "wat mijn is, dijn is, wat dijn is, mijn is." Zo'n systeem vind je in een familie, bijvoorbeeld -- dominantie, volgens het principe "Zorg dat je geen last met me krijgt"; wederkerigheid: "Voor wat, hoort wat"; en seks, in de onsterfelijke woorden van Cole Porter: "Laten we het doen."
Soorten relaties kunnen worden onderhandeld. Ook al zijn er standaardsituaties waarin één van deze systemen kan worden toegepast, toch kunnen ze worden uitgerekt en uitgebreid. Gemeenschappelijkheid werkt het natuurlijkst met familie of vrienden. Het kan ook worden gebruikt om te proberen de mentaliteit van delen over te brengen naar groepen die daar normaal niet toe geneigd zouden zijn -- bijvoorbeeld in broederschappen, sociëteiten, studentenverenigingen, uitdrukkingen als "de familie van de mens". Je probeert mensen die niet verwant zijn met het relatietype te doen werken dat normaal gepast zou zijn voor naaste verwanten.
Mismatches -- waarbij één persoon een bepaald relatietype veronderstelt en een ander een ander -- kunnen gênant zijn. Als jij voorover zou leunen en voor jezelf een garnaaltje zou pikken van het bord van je baas, dan zou dat bijvoorbeeld een gênante situatie zijn. Als iemand die bij jou dineert, na de maaltijd zijn portefeuille zou bovenhalen en zou aanbieden te betalen voor het maal, dan zou dat ook eerder gênant zijn. In minder frappante gevallen vindt er vaak nog steeds een soort onderhandeling plaats. Op de werkplek is er bijvoorbeeld vaak spanning over de vraag of een werknemer zijn baas familiair kan behandelen, of hem of haar mag aanspreken met de voornaam. Als twee vrienden een wederkerige transactie aangaan, bijvoorbeeld een auto verkopen, dan is het bekend dat dit vaak een bron is van spanning en gêne. Bij een afspraakje kan de overgang van vriendschap naar seks, dat feit is berucht, leiden tot verschillende soorten gêne. Dat geldt ook voor seks op de werkplek, waarbij we het conflict tussen een dominante en een seksuele relatie "ongewenste intimiteiten" noemen.
Wat heeft dat dan met taal te maken? Taal moet, als sociale interactie, aan twee voorwaarden voldoen. Je moet de eigenlijke inhoud overbrengen -- daar zijn we weer bij de metafoor van de verpakking. Je wil de steekpenningen, het bevel, de belofte, de aansporing enzovoort overbrengen -- maar je moet ook onderhandelen en het soort relatie onderhouden dat je met de andere persoon hebt. De oplossing is volgens mij dat we taal op twee niveaus gebruiken. De letterlijke vorm verwijst naar de veiligste relatie met de luisteraar. De geïmpliceerde inhoud -- wat we verwachten dat de luisteraar tussen de regels leest -- laat de luisteraar toe om om de interpretatie af te leiden die in de context het meest relevant is, wat tot een begin van wijziging in de relatie kan leiden.
Het eenvoudigste voorbeeld hiervan is het beleefde verzoek. Stel dat je je verzoek voorwaardelijk uitdrukt -- "Als je het raam zou kunnen openen, dan zou dat reuze zijn." Hoewel de inhoud een gebod is, betekent het feit dat je de imperatief niet gebruikt, dat je niet handelt alsof je je in een relatie van dominantie bevindt, waar je ervan zou kunnen uitgaan dat de ander gehoorzaamt. Anderzijds wil je die verdomde guacamole. Door het te formuleren als een "als-dan"-zin, kan je de boodschap overbrengen, zonder dat het lijkt alsof je de baas over iemand anders wil spelen.
Nog subtieler werkt dit volgens mij voor alle verholen uitingen die plausibel kunnen worden ontkend: steekpenningen, bedreigingen, voorstellen, verzoeken enzovoort. Een manier om hiernaar te kijken is je voor te stellen hoe het zou zijn als taal alleen letterlijk zou kunnen worden gebruikt. Je kan dit opvatten in termen van een speltheoretische payoff matrix. Stel je in de plaats van de kidnapper die de agent wil omkopen. Er staat veel op het spel bij de twee mogelijkheden van een corrupte of een eerlijke agent. Als je de agent niet omkoopt, dan krijg je een verkeersboete -- of, in het geval van "Fargo", iets ergers -- of die agent nu eerlijk is of corrupt. Wie niet waagt, niet wint. In dat geval zijn de gevolgen tamelijk ernstig. Anderzijds, als je de steekpenningen aanbiedt, en de agent is corrupt, dan krijg je de enorme beloning dat je vrijuit gaat. Als de agent eerlijk is, krijg je een enorme boete, een arrestatie wegens omkoperij. Dit is dus een nogal geladen situatie.
Anderzijds kan je met indirecte taal verholen steekpenningen aanbieden; De corrupte agent kan dit als steekpenningen interpreteren, en dan word je beloond doordat je vrijuit gaat. De eerlijke officier kan je niet aanwrijven dat het steekpenningen zijn, en dus krijg je het kleine ongemak van de verkeersboete. Je krijgt dus het beste van twee werelden. Een vergelijkbare analyse geldt volgens mij voor de potentiële gêne omtrent een seksueel verzoek en andere gevallen waar het een voordeel is dat je plausibel kan ontkennen. Volgens mij bevestigt dit iets dat diplomaten allang weten -- namelijk dat vage taal helemaal geen fout of imperfectie is, maar gewoon een kenmerk van taal -- één dat we tot ons voordeel aanwenden in sociale interactie.
Even samenvatten: taal is een collectieve menselijke creatie die de menselijke natuur weerspiegelt -- hoe we de werkelijkheid in begrippen vatten, hoe we relaties met elkaar aangaan. Door de eigenaardigheden en de complexiteit van taal te analyseren, kunnen we volgens mij zicht krijgen op wat ons drijft. Hartelijk dank.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation, or join one of these:
In een exclusieve voorbeschouwing op zijn boek "De stof van het denken" kijkt Steven Pinker naar taal en hoe die uitdrukt wat er in ons brein gebeurt -- en hoe de woorden die we kiezen, veel meer overbrengen dan we beseffen.
Linguist Steven Pinker questions the very nature of our thoughts -- the way we use words, how we learn, and how we relate to others. In his best-selling books, he has brought sophisticated language analysis to bear on topics of wide general interest. Full bio »
Translated into Dutch by Els De Keyser
Reviewed by Albert Edelman
Comments? Please email the translators above.
19:15 Posted: Sep 2007
Views 878,353 | Comments 412
02:15 Posted: Jun 2008
Views 243,735 | Comments 57
22:01 Posted: Jan 2007
Views 703,121 | Comments 267
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign out.