De vraag is niet: Waarom vielen we Afghanistan binnen? De vraag is: Waarom zijn we nog steeds in Afghanistan, tien jaar later? Waarom geven we 135 miljard dollar uit? Waarom hebben we 130.000 manschappen op de grond? Waarom zijn in de afgelopen maand meer mensen gedood dan in alle voorgaande maanden van dit conflict? Hoe is dit kunnen gebeuren? De afgelopen 20 jaar waren het tijdperk van de interventie, en Afghanistan is eenvoudig één bedrijf in een tragedie met 5 bedrijven. We kwamen uit de Koude Oorlog en waren wanhopig. We kregen Rwanda; we kregen Bosnië; en toen herontdekten we ons zelfvertrouwen. In het derde bedrijf gingen we Bosnië en Kosovo aan en we schenen te slagen. In het vierde bedrijf, met onze hoogmoed, onze zelfoverschatting groeiende, vielen we Irak en Afghanistan binnen. En in het vijfde bedrijf stortten we ons in een beschamende chaos.
Dus is de vraag: Wat zijn we aan het doen? Waarom zitten we nog steeds vast in Afghanistan? En het antwoord daarop luidt keer op keer als volgt. Ons werd verteld dat we Afghanistan binnenvielen vanwege 9/11, en dat we daar blijven omdat de Taliban een existentiële dreiging vormt voor de internationale veiligheid. In de woorden van president Obama, "Als de Taliban weer de macht grijpen, zullen ze Al Qaeda uitnodigen, die zullen trachten zoveel van onze mensen te doden als ze kunnen". Het verhaal dat ons verteld werd, is dat er aanvankelijk een minimale aanwezigheid was -- met andere woorden, dat we in een situatie beland waren waarin we niet genoeg troepen hadden, niet genoeg middelen hadden, dat de Afghanen gefrustreerd waren. Ze vonden dat er niet genoeg vooruitgang was en economische ontwikkeling en veiligheid, en daarom de Taliban terugkwam. Dat we reageerden met troepenstationeringen in 2005 en 2006, maar we nog steeds niet genoeg troepen op de grond hadden. En dat het pas in 2009 was, toen president Obama een troepenvermeerdering goedkeurde dat we eindelijk, in de woorden van minister Clinton, "de strategie, het leiderschap en de middelen" hadden om, zoals de president ons nu verzekert, op de juiste weg te zijn onze doelen te verwezenlijken.
Dit klopt allemaal niet. Ieder van die uitspraken klopt niet. Afghanistan vormt geen existentiële dreiging voor de internationale veiligheid. Het is extreem onwaarschijnlijk dat de Taliban ooit in staat zouden zijn het land over te nemen -- extreem onwaarschijnlijk dat ze Kaboel kunnen innemen. Ze hebben simpelweg geen conventionele militaire optie. En zelfs al zouden ze het kunnen, zelfs als ik het mis heb, is het extreem onwaarschijnlijk dat de Taliban Al Qaeda terug zou verwelkomen. Vanuit het standpunt van de Taliban, was dat de vorige keer hun grootste fout. Als ze Al Qaeda niet hadden verwelkomd, zouden ze nu nog steeds aan de macht zijn.
En zelfs al had ik het mis wat deze dingen betreft, zelfs al zouden ze het land terug veroveren, zelfs al zouden ze Al Qaeda terug ontvangen, dan is het extreem onwaarschijnlijk dat Al Qaeda's vermogen zou toenemen om schade te berokkenen aan de Verenigde Staten of aan Europa. Dit zijn de jaren '90 niet meer. Als de Al Qaeda basis zou worden gevestigd bij Ghazni, zouden we heel hard toeslaan, en het zou erg moeilijk zijn voor de Taliban om hen te beschermen.
Verder is het simpelweg niet waar dat wat er mis ging in Afghanistan de minimale aanwezigheid was. In mijn ervaring was die minimale aanwezigheid in feite zeer nuttig. En de troepen die we binnenbrachten -- dit is een mooie foto van David Beckham achter het machinegeweer -- maakten de situatie erger, niet beter. Toen ik door Afghanistan liep in de winter van 2001-2002, zag ik taferelen als dit. Een meisje, als je goed kijkt, in de hoek van een donkere kamer -- bevoorrecht dat ze de Koran kon inkijken. Maar in die beginperiode toen ons verteld werd dat we niet genoeg troepen en middelen hadden, boekten we een hoop vooruitgang in Afghanistan. Binnen enkele maanden gingen tweeënhalf miljoen meer meisjes naar school. In Sangin waar ik ziek was in 2002, was het dichtstbijzijnde hospitaal drie dagen lopen. Nu zijn er 14 hospitaaltjes alleen al in dat gebied. Er was enorme vooruitgang. We gingen van een situatie waarin bijna geen Afghanen mobiele telefoons hadden onder de Taliban, naar een situatie waarin, bijna plotseling, 3 miljoen Afghanen mobiele telefoons hadden. En we boekten vooruitgang in de vrije media. We boekten vooruitgang in verkiezingen -- allemaal met een zogezegde minimale aanwezigheid.
Maar toen we er meer geld in gingen stoppen, toen we meer middelen gingen investeren, werden de dingen slechter, niet beter. Hoe dan? Ten eerste, wanneer je 125 miljard dollar per jaar in een land als Afghanistan stopt, waar de totale inkomsten van de Afghaanse staat één miljard dollar per jaar is, verzuip je gewoonweg alles. Het is niet enkel corruptie en verspilling die je creëert; je vervangt in feite de prioriteiten van de Afghaanse regering, de verkozen Afghaanse regering, door neigingen tot micromanagement van buitenlanders op tijdelijke posten met hun eigen pioriteiten. Hetzelfde geldt voor de troepen.
Toen ik door Afghanistan liep, verbleef ik bij mensen als deze. Dit is commandant Haji Malem Mohsin Khan van Kamenj. Hij was een uitstekende gastheer. Hij was erg genereus, net als veel andere Afghanen bij wie ik logeerde. Maar hij was tevens aanzienlijk conservatiever, aanzienlijk meer gekant tegen buitenlanders, aanzienlijk islamistischer dan we graag zouden willen geloven. Deze man bijvoorbeeld, Mullah Mustafa, probeerde me neer te schieten. En de reden waarom ik wat verbijsterd kijk op deze foto, is omdat ik ietwat bang was. Ik was te bang bij deze gelegenheid, na een uur door de woestijn te hebben gerend, en beschutting te hebben gezocht in dit huis, om hem te vragen waarom hij hier was, en met mij op de foto wilde. Maar 18 maanden later vroeg ik hem waarom hij me had geprobeerd neer te schieten. Mulllah Mustafa -- hij is de man met pen en papier -- legde uit dat de man die meteen links zit als je naar de foto kijkt, Nadir Shah had gewed dat hij me niet zou kunnen raken. Nu wil dit niet zeggen dat Afghanistan vooral een plek is met mensen zoals Mullah Mustafa. Zeker niet; het is een fantastische plek vol ongelofelijke energie en intelligentie. Maar het is een plek waar de stationering van de troepen het geweld eerder heeft doen toenemen dan afnemen.
In 2005 kon Anthony Fitzherbert, een landbouwkundig ingenieur, door Helmand reizen, verblijven in Nad Ali, Sangin en Ghoresh, welke nu namen zijn van dorpen waar gevochten wordt. Vandaag zou hij dat nooit kunnen doen. Dus het idee dat we troepen inzetten om het oproer van de Taliban aan te pakken is niet juist. In plaats van voorafgaan aan de troepentoename, volgde de Taliban de troepeninzet. En als je het mij vraagt, heeft de troepeninzet hun heropleving veroorzaakt.
Is dit nu een nieuw gegeven? Nee, er zijn een hoop mensen geweest die dit zeiden in de laatste zeven jaar. Ik runde een centrum aan Harvard van 2008 tot 2010. Daar waren mensen zoals Michael Semple, die vloeiend de Afghaanse talen spreken, die in haast ieder district gereisd hebben. Andrew Wilder bijvoorbeeld, geboren aan de Pakistaans-Iraanse grens, diende zijn hele leven in Pakistan en Afghanistan. Paul Fishstein, die hier begon te werken in 1978 -- voor Save the Children, runde de Afghaanse eenheid voor onderzoek en evaluatie. Dit zijn mensen die in staat waren om voortdurend te zeggen dat de toename van ontwikkelingshulp Afghanistan minder veilig maakte, in plaats van veiliger -- dat de anti-oproerstrategie niet werkte en ook nooit zou gaan werken. En toch luisterde er niemand naar hen. In plaats daarvan was er een litanie van verbijsterend optimisme.
Beginnend in 2004 kwam elke generaal binnen en zei, "Ik heb een ellendige situatie geërfd, maar eindelijk heb ik de juiste middelen en strategie, die zullen zorgen voor", in generaal Barno's woorden in 2004, het "beslissende jaar". Raad eens? Dat was het geenszins. Maar dat belette generaal Abuzaid niet te zeggen dat hij de strategie en middelen had om in 2005 te zorgen voor het "beslissende jaar". Of generaal David Richards die in 2006 zei dat hij de strategie en de middelen had om te zorgen voor het "kanteljaar". Of in 2007, Espen Eide, de Noorse staatssecretaris Buitenlandse Zaken, die zei dat hij zou zorgen voor het "beslissende jaar". Of in 2008, generaal-majoor Champoux die binnenkwam en zei dat hij zou zorgen voor het "beslissende jaar" Of in 2009, mijn grote vriend, generaal Stanley McChrystal, die zei dat hij "tot zijn knieën in het beslissende jaar" stond. Of in 2010, David Miliband, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, die zei dat hij eindelijk zou gaan zorgen voor het "beslissende jaar". En jullie zullen blij zijn te horen, nu in 2011, dat Guido Westerwelle, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, ons verzekert dat we aanbeland zijn in het "beslissende jaar".
Hoe kan het dat we dit allemaal laten gebeuren? Het antwoord is uiteraard dat als je 125 miljard of 130 miljard dollar per jaar uitgeeft in een land, je bijna iedereen erbij betrekt. Zelfs de hulpverleningsorganisaties -- die dan enorme hoeveelheden geld krijgen van de Amerikaanse en Europese overheden om scholen en hospitalen te bouwen -- zijn niet echt bereid om tegen te spreken dat Afghanistan een existentieel gevaar vormt voor de internationale veiligheid. Ze vrezen met andere woorden, dat als mensen geloven dat het niet zo'n probleem is -- Oxfam, Save the children -- geen geld zouden krijgen om hun scholen en hospitalen te bouwen. Ook is het erg moeilijk om een generaal met medailles op zijn borst, tegen te spreken. Het is erg moeilijk voor een politicus, want je bent bang dat vele levens voor niets verloren zijn gegaan. Je voelt een diepe, diepe schuld. Je overdrijft je angsten. Je bent doodsbang voor de vernedering van een nederlaag.
Wat is hiervoor de oplossing? De oplossing hiervoor is dat we een manier vinden waardoor mensen als Michael Semple, of die andere mensen, die de waarheid vertellen, die het land kennen, die er 30 jaar gewoond hebben -- en het belangrijkste van al, het ontbrekende element hierin -- De Afghanen zelf, die begrijpen wat er zich afspeelt; we moeten hun verhaal hoe dan ook bij de beleidsmakers kunnen brengen. Dit is erg moeilijk om te doen vanwege onze structuren.
Het eerste wat we moeten veranderen zijn de structuren van onze overheden. Het is betreurenswaardig dat onze diplomatieke diensten, de Verenigde Naties, het leger in deze landen weinig weten over wat er zich afspeelt. De gemiddelde Britse soldaat dient er slechts 6 maanden; Italiaanse soldaten, vier maanden; het Amerikaanse leger periodes van 12 maanden. Diplomaten zitten opgesloten in ambassades. Als ze erop uit gaan, reizen ze in vreemde gepanserde voertuigen met nogal dreigend uitziende beveiligingsteams die zich 24 uur van tevoren voorbereiden en zeggen dat je slechts een uur ergens mag blijven.
In de Britse ambassade in Afghanistan, in 2008, een ambassade van 350 mensen, waren slechts drie mensen die redelijk Dari spraken, de voornaamste taal van Afghanistan. Er was niet één persoon die Pasjtoe sprak. In de Afghaanse sectie in Londen, verantwoordelijk voor de uitvoering van het Afghaanse beleid ter plaatse, zo vertelde men me vorig jaar, was er niemand van de kantoorstaf van buitenlandse zaken in die sectie die ooit naar Afghanistan uitgezonden was geweest. Dus we moeten de institutionele cultuur veranderen. En ik zou hetzelfde kunnen zeggen over de Verenigde Staten en de Verenigde Naties.
Ten tweede moeten we het optimisme van de generaals niet zo serieus nemen. We moeten zorgen dat we een beetje wantrouwig blijven, en begrijpen dat optimisme in het DNA van het leger zit, dat we er niet met zoveel gretigheid op reageren. Ten derde hebben we bescheidenheid nodig. We moeten beginnen bij de notie dat onze kennis, onze macht, onze legitimiteit beperkt is. Dit betekent niet dat interventie wereldwijd een ramp is. Dat is het niet.
Bosnië en Kosovo waren lichtende successen grote successen. Als je vandaag naar Bosnië gaat is het niet te geloven dat wat we zagen in de begin jaren '90, echt gebeurd is. Het is niet te geloven hoeveel vooruitgang er is geboekt sinds 1994. Terugkeer van vluchtelingen, hetgeen het VN-Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bijzonder onwaarschijnlijk achtte, heeft grotendeels plaatsgevonden. Een miljoen bezittingen zijn teruggegeven. De grenzen tussen Bosniaks grondgebied en het Bosnisch-Servisch grondgebied zijn rustiger. Het nationale leger is gekrompen. De huidige criminaliteitscijfers in Bosnië zijn lager dan in Zweden.
Dit werd bewerkstelligd door een ongelofelijke, principiële actie van de internationale gemeenschap, en, natuurlijk, bovenal door de Bosniërs zelf. Maar je moet naar de context kijken. Dat is wat we verloren hebben in Afghanistan en Irak. Je moet begrijpen dat op die plekken het belangrijkste was: ten eerste, de rol van Tudjman en Milosevic in het bereiken van een akkoord, en dan het feit dat deze mannen vertrokken, dat de regionale situatie verbeterde, dat de Europese Unie Bosnië iets buitengewoons kon aanbieden: de kans om deel uit te maken van iets nieuws, een nieuwe club, een kans om tot iets groters toe te treden.
En als laatste moeten we begrijpen dat in Bosnië en Kosovo, een groot deel van het geheim van wat we deden, een groot deel van het geheim van ons succes, onze bescheidenheid was -- de tijdelijke aard van onze inzet was. We bekritiseerden mensen in Bosnië vaak vanwege hun traagheid bij het aanpakken van oorlogsmisdadigers. We bekritiseerden ze voor de trage terugkeer van vluchtelingen. Maar die traagheid, die omzichtigheid, het feit dat president Clinton meteen zei dat Amerikaanse troepen slechts een jaar ingezet zouden worden, bleken een pluspunt te zijn, en het hielp ons om onze prioriteiten te bepalen.
Een van de treurigste aspecten van onze betrokkenheid in Afghanistan is dat we onze prioriteiten niet op elkaar hebben afgestemd. We zetten onze middelen niet in volgens onze prioriteiten. Want als we geïnteresseerd zijn in terrorisme, is Pakistan veel belangrijker dan Afghanistan. Als we geïnteresseerd zijn in regionale stabiliteit, is Egypte veel belangrijker. Als we inzitten over armoede en ontwikkeling, is Sub-Saharisch Afrika veel belangrijker. Dit betekent niet dat Afghanistan niet telt, maar dat het één van 40 landen in de wereld is waarmee we aan de slag moeten.
Dus als ik mag afsluiten met een metafoor voor interventie... waaraan we moeten denken is iets dat lijkt op bergreddingswerk. Waarom bergreddingswerk? Omdat wanneer mensen het hebben over interventie, denken ze dat een wetenschappelijke theorie -- de Rand Corporation gaat kijken naar 43 voorgaande opstanden, en produceert wiskundige formules die je vertellen dat je één getrainde soldaat nodig hebt per 20 inwoners. Dat is de verkeerde manier om er tegenaan te kijken. Je moet het op dezelfde manier zien als bergreddingswerk.
Als je in de bergen reddingswerk doet, behaal je niet eerst een doctoraat in reddingswerk. Je zoekt iemand die het terrein kent. Het draait om context. Je begrijpt dat je je kunt voorbereiden, maar de hoeveelheid voorbereiding die mogelijk is, is beperkt. Je kunt water meenemen, en een kaart, en een rugzak. Maar wat echt een rol speelt, zijn twee soorten problemen -- problemen die optreden op het terrein die je niet kon voorzien, zoals bijvoorbeeld ijs op een helling, maar waar je wel omheen kunt. En problemen die je niet kon voorzien en waar je niet omheen kunt, zoals een plotse storm of lawine of een verandering van weer.
Cruciaal hier is een gids die op die berg is geweest in elke temperatuur, in elke periode. Een gids die, bovenal weet wanneer terug te keren. Iemand die niet onophoudelijk doorduwt wanneer de omstandigheden zich tegen hem keren. Wat we zoeken in brandweerlieden, in klimmers, in politiemensen, en wat we zouden moeten zoeken voor interventie, zijn intelligente risiconemers -- niet mensen die blindelings in een afgrond springen, niet mensen die een brandende kamer binnenvallen, maar die de risico's afwegen, hun verantwoordelijkheden afwegen. Want het ergste wat we in Afghanistan hebben gedaan is het idee dat falen geen optie is, Het maakt falen onzichtbaar, ondenkbaar en onvermijdelijk. Als we deze krankzinnige slogan kunnen weerstaan, zullen we ontdekken -- In Egypte, in Syrië en in Libië, en waar dan ook ter wereld -- dat ook al kunnen we vaak veel minder dan we pretenderen, we veel meer kunnen dan we vrezen.
Dank u. Dank u zeer. Dank u. Dank u zeer. Dank u. Dank u. Dank u.
Dank u. Dank u. Dank u. Dank u.
Bruno Giussani: Rory, je noemde Libië aan het eind. In het kort, wat zijn jouw gedachten over de huidige situatie daar en de interventie?
Rory Stewart: Oké, Ik denk dat Libië het klassieke probleem laat zien. Het probleem in Libië is dat we de oplossing altijd zwart of wit zien. We denken dat er slechts twee oplossingen zijn: ofwel volwaardige deelname met troepeninzet of totale isolatie. We laten ons altijd verleiden tot aan onze nek. We voelen met een teen en gaan er tot de nek in. Wat we hadden moeten doen in Libië is ons aan de V.N. resolutie houden. We hadden onszelf zeer strikt moeten beperken tot de bescherming van de burgers van Benghazi. Dat hadden we kunnen doen. We creëeren een no-flyzone binnen 48 uur want Gaddafi had geen vliegtuigen binnen 48 uur. In plaats daarvan laten we onszelf verleiden tot omverwerping van het regime. Hiermee hebben we onze geloofwaardigheid verspeeld bij de Veiligheidsraad. Dat betekent dat het erg moeilijk is om een resolutie voor Syrië te kijgen, en we stevenen weer af op falen. Nogmaals, bescheidenheid, grenzen, eerlijkheid, realistische verwachtingen, en we hadden iets kunnen bereiken om trots op te zijn.
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation.
Brits parlementslid Rory Stewart liep na 9/11 door Afghanistan en sprak met burgers en met militaire leiders. Nu, tien jaar later, vraagt hij: Waarom zijn westerse en coalitiestrijdkrachten er nog steeds aan het vechten? Hij trekt lessen uit succesvolle interventies uit het verleden -- Bosnië bijvoorbeeld -- en laat zien dat bescheidenheid en plaatselijke expertise de sleutels zijn tot succes.
Rory Stewart -- a perpetual pedestrian, a diplomat, an adventurer and an author -- is the member of British Parliament for Penrith and the Border. Full bio »
Translated into Dutch by Axel Saffran
Reviewed by Kevin Keyaert
Comments? Please email the translators above.
18:45 Posted: Oct 2006
Views 226,865 | Comments 50
20:38 Posted: Sep 2010
Views 168,442 | Comments 89
17:36 Posted: Sep 2007
Views 224,202 | Comments 144
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.