Twee weken geleden was ik in m'n studio in Parijs en de telefoon ging en ik hoorde: "Hee JR, je hebt de TED Prize 2011 gewonnen. Je moet een wens doen om de wereld te redden." Ik had geen idee. Hoe kon ik de wereld redden, niemand kan dat. De wereld is een zooitje. Dictators hebben het overal voor het zeggen, de bevolking groeit met miljoenen tegelijk, er zit geen vis meer in zee, de Noordpool smelt, en zoals de vorige TED Prize-winnaar zei: we worden allemaal dik. (Gelach) Behalve misschien de Fransen. Ja ja. Dus ik belde terug, en ik zei tegen haar: "Luister, Amy, vertel ze maar bij TED dat ik niet kom. Ik kan de wereld niet redden." Ze zei: "Hee JR, jouw wens gaat niet over de wereld redden, maar ze te veranderen." "O, goed dan." (Gelach) "Prima." Technologie, politiek en het zakenleven veranderen de wereld -- niet altijd ten goede, maar toch. En kunst dan? Zou kunst de wereld kunnen veranderen?
Ik begon op m'n 15e. In die tijd dacht ik nog niet aan het veranderen van de wereld; ik maakte graffiti -- schreef overal mijn naam op, gebruikte de stad als ondergrond. Ik ging de tunnels van Parijs in, de daken op met m'n vrienden. Elke trip was een excursie, een avontuur. Alsof we ons stempel op de maatschappij drukten, door "Ik was hier" te zeggen op het dak van een gebouw.
Toen ik in de metro een goedkope camera vond, ging ik die avonturen met mijn vrienden vastleggen en gaf ze in kopie-vorm terug -- kleine fotootjes van deze grootte. Zo begon ik ze op m'n zeventiende op te plakken. Ik deed m'n eerste 'expo de rue', wat stoep-expositie betekent. Ik omlijstte het met kleur om 't niet te verwarren met reclame. De stad is de best denkbare galerie. Ik zou nooit een boek hoeven te maken en dat presenteren in een galerie om hen te laten beslissen of mijn werk goed genoeg was om te vertonen. Ik zou de mensen er direct mee confronteren op straat.
Dat is Parijs. Ik veranderde -- afhankelijk van waar ik heen ging -- de titel van de tentoonstelling. Dit is op de Champs Elysées. Daar was ik erg trots op. Omdat ik pas 18 was en ik daar bovenop de Champs Elysées stond. Als de foto weg was, bleef de lijst achter.
November 2005: de straten staan in brand. Een grote golf van rellen was uitgebroken in de eerste buitenwijken van Parijs. Iedereen zat voor de tv en keek naar verontrustende, angstige beelden genomen op de rand van hun buurt. Deze kinderen, zonder toezicht, die molotovcocktails gooien, die agenten en brandweerlui aanvallen, die zoveel mogelijk winkels plunderden. Het waren criminelen, gevaarlijke boeven die hun eigen buurt onveilig maakten.
Toen zag ik -- was het mogelijk? -- mijn foto op een muur zichtbaar door een brandende auto -- die had ik een jaar eerder opgeplakt -- illegaal -- ze hing er nog steeds. Dit waren de gezichten van mijn vrienden. Ik ken die gasten. Niet allemaal lieverdjes, maar ook geen monsters. Het was dus nogal vreemd om die beelden en die ogen te zien die me via de tv aankeken.
Ik ging terug naar die plaats met een 28 mm-lens. De enige die ik toen had. Maar met die lens moet je op 25 cm afstand van de persoon zitten. Ze moeten je dus wel vertrouwen. Ik maakte vier portretten van mensen uit Le Bosquet. Ze trokken enge gezichten om een karikatuur van zichzelf te maken. Ik hing overal grote posters op in de nette buurt van Parijs met naam, leeftijd, zelfs het nummer van het gebouw van deze jongens. Een jaar later werd het vertoond voor het gemeentehuis van Parijs. We gaan van genomen foto's die gestolen en vervormd zijn door de media, die nu trots hun eigen beelden overnemen. Toen besefte ik de kracht van papier en lijm. Zou kunst de wereld kunnen veranderen?
Een jaar later luisterde ik naar al het gedoe rondom het conflict in het Midden-Oosten. Je kunt ervan op aan dat het in die tijd alleen ging over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Met mijn vriend Marco besloot ik daar naartoe te gaan om te zien wie de echte Palestijnen en de echte Israëli's zijn. Zijn ze wel zo verschillend? Daar aangekomen gingen we gewoon de straat op, spraken overal met mensen en we ontdekten dat de zaken er anders voorstonden dan de retoriek die we vernamen via de media. We besloten portretten te maken van Palestijnen en Israëli's die hetzelfde werk doen -- taxichauffeur, advocaat, koks. Ik vroeg ze een gezicht te trekken, zo verplichtten ze zich. Geen glimlach -- dat zegt niet veel over wie je bent en wat je voelt. Iedereen stond toe dat ze naast elkaar opgeplakt werden. Ik besloot in acht Israëlische en Palestijnse steden op te plakken en aan beide kanten van de muur. We lanceerden de grootste illegale expositie ooit. We noemden het project Face 2 Face.
De experts zeiden: "Vergeet 't maar. De mensen accepteren dit niet. Het leger schiet je neer en Hamas neemt je gevangen." We zeiden: "Goed, laten we 's zien hoe ver we ermee komen." Ik geniet ervan als mensen me vragen: "Hoe groot wordt mijn foto?" "Zo groot als je huis." Toen we de muur deden, deden we de Palestijnse kant. We kwamen daar alleen met onze ladders en we realiseerden ons dat ze te kort waren. Dus zeiden een paar Palestijnen: "Rustig maar, wacht maar. Ik los het wel op." We gingen naar de Geboortekerk en vonden er een oude ladder die zo oud was dat 'ie Jezus' geboorte vast heeft meegemaakt. (Gelach) We deden Face 2 Face met maar zes vrienden, twee ladders, twee kwasten, een huurauto, een camera, en 6000 vierkante meter papier. We kregen hulp van allerlei kanten.
Bijvoorbeeld, dit is Palestina. We zijn nu in Ramallah. We plakken portretten op -- beide portretten in de straten op een drukke markt. Mensen komen aanlopen en stellen vragen: "Wat doen jullie daar?" "O, we maken een kunstproject en we zetten een Israëli naast een Palestijn die hetzelfde werk doen. En dit zijn twee taxichauffeurs." En dan was het altijd stil. "Dus je plakt een Israëlisch gezicht -- een gezicht hier?" "Ja, dat is onderdeel van het project." Ik liet dat moment dan bestaan, en dan vroeg ik ze: "Vertel eens wie wie is?" En de meesten wisten het niet.
We plakten zelfs op Israëlische wachttorens, en er gebeurde niks. Als je een afbeelding plakt, is het slechts papier en lijm. Mensen kunnen het verscheuren, erop tekenen, erop plassen -- sommigen zitten daar wat te hoog voor -- maar de mensen op straat die zijn de curator. Ze vallen er sowieso af door de regen en de wind. Het is niet de bedoeling dat ze beklijven. Maar precies vier jaar later zijn meeste foto's er nog steeds. Face 2 Face liet zien dat het onmogelijke toch mogelijk bleek -- en gemakkelijk om te doen zelfs. We gingen niet tot het uiterste, we toonden slechts aan dat we verder zijn dan we dachten.
In het Midden-Oosten maakte ik mijn werk mee in plaatsen zonder veel musea. De reacties op straat waren best interessant. Daarom besloot ik op die manier verder te gaan naar plaatsen waar helemaal geen musea zijn. Als je in die ontwikkelingsgebieden komt daar zijn vrouwen de pijlers van hun gemeenschap, maar de mannen beheersen nog steeds de straten. Het inspireerde ons om een project te maken waarin mannen hulde brengen aan vrouwen door hun foto's op te plakken. Ik noemde dat project "Vrouwen zijn helden". Als ik luisterde naar alle verhalen, waar ik ook kwam op de continenten, dan snapte ik niet altijd de ingewikkelde omstandigheden van hun conflict, ik nam slechts waar. Soms waren er geen woorden, geen zin, alleen tranen. Ik nam slechts hun foto en plakte ze op.
"Vrouwen zijn helden" bracht me over de hele wereld. De meeste van mijn bestemmingen koos ik uit omdat ik erover had gehoord via de media. In 2008 bijvoorbeeld keek ik tv in Parijs, en toen hoorde ik over iets verschrikkelijks dat in Rio de Janeiro was gebeurd. Providencia, de eerste sloppenwijk van Brazilië. Drie kinderen -- drie leerlingen -- waren gevangen genomen door het leger omdat ze geen identiteitspapieren bij zich hadden. Het leger pakte ze op, en in plaats van ze naar het politiebureau te brengen, zetten ze ze af in een vijandige favela waar ze in stukjes werden gehakt. Ik was ontsteld. Heel Brazilië was ontsteld. Het bleek één van de gewelddadigste favela's te zijn omdat het grootste drugskartel er de baas is. Dus ging ik er naar toe.
Toen ik aan kwam -- ik had geen contact met geen enkele ngo. Er was niets -- geen reisleider, geen ngo's, niets -- geen ooggetuigen. We liepen er rond en we kwamen een vrouw tegen die ik mijn boek liet zien. En ze zei: "Ik zal je 'ns wat zeggen. Wij hebben cultuur-honger. We hebben hier cultuur nodig." Dus begon ik bij de kinderen. Ik nam gewoon wat foto's van de kinderen en kwam de volgende dag met de posters die we opplakten. De dag erna zag ik dat ze al bekrast waren. Maar dat geeft niet. Ik wilde ze het gevoel geven dat het hun kunst was.
De dag daarna hield ik een bijeenkomst op het plein en er kwamen wat vrouwen naartoe. Ze waren verbonden met de drie kinderen die waren gedood. De moeder, de grootmoeder, de beste vriend waren er. Ze konden het verhaal wel uitschreeuwen. Na die dag gaf iedereen in de favela me toestemming. Ik nam meer foto's en we begonnen met het project. De drugsbazen maakten zich zorgen over ons gefilm op die plek, dus zei ik tegen hen: "Luister, het geweld en de wapens interesseren me niet. Daar zie je genoeg van in de media. Ik wil al het ongelooflijke leven laten zien. En ik heb dat de afgelopen dagen al om me heen gezien." Dit is een zeer symbolische poster, want dat was de eerste die je niet vanuit de stad kon zien. Hier werden de drie kinderen opgepakt, en dat is de oma van één van hen. Op die trap daar staan altijd de drugshandelaren en er wordt daar veel geschoten. Iedereen daar begreep het project. We plakten overal aan -- de hele heuvel.
Het was boeiend dat de media niet binnen konden komen. Dat had je moeten zien. Ze moesten ons van heel ver weg filmen met een helikopter en dan met een hele grote lens en dan zagen we onszelf op tv posters opplakken. En dan stond er een nummer: "Bel alstublieft dit nummer als u weet wat er gebeurt in Providencia." We deden een project en vertrokken dan weer zodat de media er niks van wisten. Hoe kunnen we het project dan te weten komen? Daarvoor moesten ze de vrouwen vinden en van hun een uitleg krijgen. Zo creëer je een brug tussen de media en de anonieme vrouwen.
We reisden verder. We gingen naar Afrika, Soedan, Sierra Leone, Liberia, Kenia. In oorlogsgebieden zoals Monrovia komen mensen meteen naar je toe. Ze willen weten wat je van plan bent. Ze bleven vragen: "Wat is het doel van je project? Ben je een ngo? Ben je de media?" Kunst. Ik maak gewoon kunst. Sommigen vragen: "Waarom is het zwart-wit? Heb je geen kleur in Frankrijk?" (Gelach) Of ze zeggen: "Zijn al die mensen dood?" Sommigen die het begrepen, legden het project aan anderen uit. Iemand zei tegen een man die het niet begreep: "Je bent hier nu al een paar uur, je probeert het te snappen, je praat met je naasten. Al die tijd heb je niet nagedacht over wat je morgen zult eten. Dat is kunst." Volgens mij is het nieuwsgierigheid die mensen motiveert om met de projecten mee te doen. En dan wordt het méér. Het wordt een wens, een behoefte, een [onduidelijk]. Op deze brug in Monrovia hielp een ex-rebellensoldaat ons een portret op te plakken van een vrouw die misschien verkracht was tijdens de oorlog. Vrouwen worden altijd als eerste getroffen tijdens een conflict.
Dit is Kibera, Kenia, één van de grootste sloppenwijken in Afrika. Misschien heb je iets gezien van de gewelddadigheden na de verkiezingen in 2008. Deze keer bedekten we de daken van de huizen maar we gebruikten geen papier, want papier voorkomt niet dat de regen het huis in lekt -- vinyl wel. Dan wordt kunst nuttig. Dus behielden de mensen het. Wat ik mooi vind, is bijvoorbeeld dat grootste oog daar, er zitten zoveel huizen in. Ik ging er een paar maanden geleden naar toe -- de foto's zijn er nog -- en er ontbrak een deel van het oog. Dus vroeg ik de mensen wat er was gebeurd. "O, die vent is verhuisd." (Gelach) Toen de daken waren bedekt zei een vrouw voor de grap: "Nu kan God mij zien." Als je nu naar Kibera kijkt, dan kijken ze terug.
Goed, India. Voordat ik begin, moeten jullie weten dat we nooit een reisleider bij ons hebben als we ergens heen gaan, we gaan dus als commando's -- we zijn een groep vrienden die aankomen en we proberen posters op de muren te plakken. Maar er zijn plaatsen waar je niet op de muren kunt plakken. In India was het onmogelijk om op te plakken. Ik begreep dat vanwege de cultuur en de wet je gewoon wordt opgepakt bij de eerste keer opplakken. Dus besloten we wit op te plakken, wit op de muren. Stel je voor: witte jongens die wit papier opplakken. Mensen kwamen naar ons toe en vroegen: "Hee, wat ben je aan het doen?" "We maken gewoon kunst." "Kunst?" Dat was natuurlijk verwarrend voor hen. Maar in India is er veel stof in de straten en hoe meer stof er opstijgt in de lucht, op het witte papier zie je het bijna, maar er zit een plakkerig stuk aan, zoals aan de achterkant van een sticker. Dus hoe meer stof, des te beter je de foto ziet. We konden de dagen daarop gewoon door de straten lopen en de foto's onthulden zichzelf. (Applaus) Dank u. Deze keer werden we niet gesnapt.
Elk project, dat is een film van "Vrouwen zijn helden". (Muziek) Goed. Van elk project maken we een film. Het meeste van wat je ziet, dat is een trailer van "Vrouwen zijn helden" -- het zijn beelden, foto's die achter elkaar zijn genomen. De foto bleef zelfs zonder ons reizen. (Gelach) (Applaus) Ik hoop dat jullie de film zien en de omvang van het project zullen bevatten en wat de mensen voelden toen ze die foto's zagen. Dat is een belangrijk onderdeel. Elke foto heeft een gelaagdheid. Achter elk beeld zit een verhaal.
"Vrouwen zijn helden" creëerde een nieuwe dynamiek in iedere gemeenschap, en de vrouwen behielden die dynamiek nadat we waren vertrokken. We maakten bijvoorbeeld boeken -- niet te koop -- die de hele gemeenschap kreeg. Maar om het te krijgen moesten ze het laten ondertekenen door één van de vrouwen. Dat deden we op de meeste plekken. We gaan regelmatig terug. In Providencia bijvoorbeeld, in de favela, daar runnen we een centrum. In Kibera bedekken we elk jaar meer daken. Want toen we weggingen, zeiden de mensen die buiten het project stonden: "Hee, hoe zit het met mijn dak?" Daarom besloten we het jaar daarop terug te komen en het project voort te zetten.
Wat erg belangrijk voor me is, is dat ik geen merk of sponsor achter me heb staan. Ik draag dus geen verantwoordelijkheid voor wie dan ook, behalve voor mezelf en de onderwerpen. (Applaus) Voor mij is dat een belangrijk ding in het werk. Ik denk dat tegenwoordig de manier waarop je iets doet even belangrijk is als het resultaat. Dat is altijd een vast onderdeel van het werk geweest. Die dunne scheidslijn tussen beelden en reclame die ik heb, is interessant. We hebben de laatste weken dingen opgeplakt voor een ander project in Los Angeles. Ik werd zelfs uitgenodigd om het MOCA-museum te beplakken. Maar gisteren belde het stadsbestuur ze op en zei: "We moeten het afbreken. Want je zou het als reclame kunnen zien, en vanwege de wet moet het worden afgebroken." Maar zeg eens, is dit reclame?
De mensen die ik fotografeer, waren trots om deel te nemen aan het project en om hun foto in hun gemeenschap te hebben. Maar ze vroegen me iets te beloven. Ze vroegen me: "Laat ons verhaal met je mee reizen." Dus dat deed ik. Dat is Parijs. Dat is Rio. In elke plaats bouwden we exposities met een verhaal dat meereisde. Jullie snappen de volle omvang van het project. Dit is Londen, New York. Nu zijn ze bij jullie in Long Beach.
Onlangs ben ik begonnen met een openbaar kunstproject waarin ik mijn kunst niet meer gebruik. Ik gebruik Man Ray, Helen Levitt, Giacomelli, kunst van anderen. Het doet er niet toe of het jouw foto is of niet. Het is belangrijk wat je doet met de beelden, wat het uitdrukt op de plek waar het is opgeplakt. Ik heb bijvoorbeeld de foto van de minaret in Zwitserland opgeplakt, een paar weken nadat minaretten verboden werden in dat land. (Applaus) Deze foto van drie mannen met gasmaskers is van oorsprong genomen in Tsjernobyl en ik heb het in Zuid-Italië opgeplakt, waar de maffia af en toe afval onder de grond stopt.
Kunst kan op bepaalde manieren de wereld veranderen. Het is niet de bedoeling dat kunst dat doet, dat het praktische zaken kan veranderen, maar het kan percepties veranderen. Kunst kan de manier waarop we de wereld zien veranderen. Kunst kan een analogie creëren. Het feit dat kunst de dingen niet kan veranderen, maakt haar tot een neutrale plek voor uitwisselingen en discussies waardoor ze je in staat stelt de wereld te veranderen. Als ik mijn werk uitvoer, krijg ik twee soorten reacties. Mensen zeggen: "Waarom ga je niet naar Irak of Afghanistan. Dat zou heel erg nuttig zijn." Of: "Hoe kunnen we helpen." Ik neem aan dat jullie tot de tweede categorie behoren, en dat is mooi, want voor dat project vraag ik jullie om de foto's te maken en ze op te plakken.
Mijn wens is dus: (nep drumroffel) (Gelach) Ik wil dat jullie staan voor datgene waar je warm voor loopt door deel te nemen in een wereldwijd kunstproject. Samen draaien we de wereld binnenstebuiten. En het begint nu. Ja, iedereen in de zaal. Iedereen die kijkt. Ik wil dat die wens daadwerkelijk nu begint. Een onderwerp wat je na aan 't hart ligt, iemand wiens verhaal je wilt vertellen, of zelfs je eigen foto's -- vertel me waar je voor staat. Neem de foto's, de portretten, upload ze -- ik geef je alle details -- en ik stuur je je poster. Neem deel aan groepen en maak dingen duidelijk aan de wereld. Alle gegevens staan op de website: insideoutproject.net. Hij gaat vandaag live.
Wat we zien, verandert wie we zijn. Als we gezamenlijk handelen, dan is het geheel meer dan de som der delen. Ik hoop dat we samen iets kunnen creëren dat de wereld zich zal herinneren. Het begint nu en het rekent op jullie.
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation, or join one of these:
JR, een semi-anonieme Franse straatkunstenaar, gebruikt zijn camera om het echte aangezicht van de wereld te laten zien door foto's van het menselijke gezicht op enorme doeken te plakken. Tijdens TED2011 doet hij zijn gedurfde TED Prize-wens: kunst te gebruiken om de wereld binnenstebuiten te keren. Leer zijn werk kennen en kijk hoe je kunt meedoen op insideoutproject.net.
With a camera, a dedicated wheatpasting crew and the help of whole villages and favelas, 2011 TED Prize winner JR shows the world its true face. Full bio »
Translated into Dutch by Felix Degenaar
Reviewed by Els De Keyser
Comments? Please email the translators above.
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.