Het leven draait om kansen: ze creëren en ze koesteren. Voor mij was dat de Olympische droom. Daar stond ik voor. Dat was mijn droom.
Als cross-country-skiër en lid van het Australische skiteam, in de voorbereiding op de Winterspelen, trainde ik op de fiets met mijn teamgenoten. Tijdens de klim naar de spectaculaire Blauwe Bergen ten westen van Sydney, was het een perfecte herfstdag: zon, eucalyptusgeur en een droom. Het leven was goed. We zaten ongeveer 5,5 uur op de fiets toen mijn favoriete deel van de rit aanbrak: de heuvels. Ik was dol op de heuvels. Ik ging recht op de trappers staan, alle spieren gespannen, ik zoog de koude berglucht op, voelde die in mijn longen branden, en ik keek op om de zon in mijn gezicht te zien schijnen.
En toen werd alles zwart. Waar was ik? Wat gebeurde er? Mijn lichaam was één en al pijn. Ik was geraakt door een bestelwagen die te snel reed, op 10 minuten van het einde van de rit. Ik werd op de plaats van het ongeval opgepikt door een reddingshelikopter, naar een gespecialiseerd ziekenhuis in Sidney. Ik had zware en levensbedreigende verwondingen. Ik had mijn nek en mijn rug op zes plaatsen gebroken. Ik had links vijf gebroken ribben. Ik had mijn rechterarm gebroken, mijn sleutelbeen, een paar voetbeentjes. Mijn hele rechterflank lag open, vol kiezels. Ik had een open letsel aan mijn voorhoofd, mijn schedel lag bloot. Ik had hoofdletsel en interne letsels. Ik leed massaal bloedverlies, ongeveer vijf liter, de volledige capaciteit van iemand van mijn lengte. Toen de helikopter bij het Prince Henry Hospital aankwam, in Sidney, was mijn bloeddruk 40 over nul. Het was echt mijn dagje niet. (Gelach)
Tien dagen lang ijlde ik tussen twee dimensies in. Ik was me ervan bewust dat ik in mijn lichaam was, maar ook eruit, elders. Ik keek toe alsof het een ander gebeurde. Waarom zou ik terugkeren naar een lichaam dat zo gebroken was?
Maar die stem bleef roepen: "Komaan, laat me niet alleen!"
Nee. Dat lichaam is stuk. Het kan me niet meer dienen."
"Komaan. Hier blijven. Samen kunnen we het."
Ik stond op een kruispunt. Als ik niet naar mijn lichaam terugging, zou ik deze wereld moeten verlaten. Het was de strijd van mijn leven. Na 10 dagen besloot ik om naar mijn lichaam terug te keren en de interne bloedingen stopten.
De volgende zorg was of ik nog zou kunnen lopen, want ik was verlamd vanaf het middel. Ze zeiden tegen mijn ouders dat de nekbreuk een stabiele breuk was, maar dat de rug volledig verbrijzeld was. De wervel op L1 was alsof je een nootje liet vallen, erop ging staan en het in 1000 stukjes verbrijzelde. Ze moesten opereren. Ze begonnen eraan. Legden me op een zitzak. Sneden me open, letterlijk in twee, ik heb een litteken over mijn hele lichaam. Ze namen zoveel mogelijk gebroken been weg uit mijn ruggenmerg. Ze namen twee gebroken ribben weg en bouwden mijn rug opnieuw op. Ze maakten L1, haalden er nog een gebroken rib uit, versmolten T12, L1 en L2. Toen naaiden ze me dicht. Dat duurde een vol uur. Ik werd wakker op intensieve zorgen. De dokters waren in de wolken dat de operatie succesvol was, want ik had toen wat beweging in één van mijn grote tenen. Ik dacht: "Geweldig, want ik ga naar de Olympische Spelen." (Gelach) Ik had geen idee. Dit soort dingen gebeurt met anderen, niet met mij.
Maar de dokter kwam zeggen: "Janine, de operatie is geslaagd. We hebben zoveel mogelijk been uit je ruggenmerg gehaald, maar de schade is permanent. Er is geen behandeling voor de zenuwen van het centrale stelsel. Je bent een partieel verlamde met alle bijbehorende verwondingen. Je hebt geen gevoel van je middel naar beneden. Daarvan kan je hoogstens 10 à 20% terugkrijgen. Je hebt inwendige kwetsuren voor de rest van je leven. Je hebt voor de rest van je leven een katheter nodig. Als je weer kan lopen, is het met beugels en een looprek." Toen zei ze: "Janine, je moet je hele leven her-denken, want je zal nooit meer kunnen doen wat je vroeger deed."
Ik probeerde te vatten wat ze zei. Ik was atleet, punt uit. Ik had nooit iets anders gedaan. Als dat niet meer kon, wat kon ik dan doen? Ik stelde mezelf de vraag: als ik dat niet kan doen, wie ben ik dan?
Ik verhuisde van intensieve zorgen naar acute rugzorgen. Ik lag op een dun, hard rugbed. Ik kon mijn benen niet bewegen en droeg steunkousen om bloedklonters tegen te gaan. Ik had één arm in het gips, één arm aan het infuus. Ik had een nekverband en zandzakjes aan beide kanten van mijn hoofd. Ik zag mijn wereld door een spiegel die boven mijn hoofd was opgehangen. Ik lag met 5 mensen op de afdeling. Omdat we allemaal verlamd in een rugafdeling lagen, wisten we niet hoe de ander eruit zag. Is dat niet geweldig? Hoe vaak in je leven krijg je de kans om vriendschap te sluiten, zonder vooroordelen, alleen op basis van de geest? Er waren geen oppervlakkige gesprekken. We deelden onze intiemste gedachten, onze angsten, onze hoop op leven na de rugafdeling.
Op een nacht kwam een verpleger binnen, Jonathan, met een hoop plastic strootjes. Hij legde er een hoop bij elk van ons en zei: "Begin ze maar ineen te steken." Er was niet veel anders te doen, dus dat deden we. Toen we klaar waren, ging hij zwijgend rond, verbond alle strootjes tot ze de hele afdeling rondgingen, en zei: "Oké, iedereen houdt zijn strootjes vast." Dat deden we. Hij zei: "Nu zijn we allemaal verbonden." Terwijl we ze vasthielden, en samen ademden, wisten we dat we niet alleen waren op deze reis. Zelfs toen ik verlamd op de rugafdeling lag, waren er momenten van uitzonderlijke diepte en rijkdom, van authenticiteit en verbondenheid, die ik nooit eerder had ervaren. Elk van ons wist dat hij, als hij uit de rugafdeling kwam, nooit meer dezelfde zou zijn.
Na zes maanden was het tijd om naar huis te gaan. Ik herinner me hoe papa mij in een rolstoel naar buiten duwde, ingepakt in een gipsen harnas, en hoe ik de zon voor het eerst op mijn gezicht voelde. Ik zoog ze op en dacht: hoe kon ik dat ooit vanzelfsprekend vinden? Ik voelde me zo dankbaar voor mijn leven. Maar voor ik het ziekenhuis verliet, had de hoofdverpleegster gezegd: "Janine, je moet klaarstaan, want als je thuis komt, zal er wat gebeuren." Ik: "Wat?" Zij: "Je zal depressief worden." Ik: "Ik niet, Janine de Machine niet" -- dat was mijn koosnaampje. Zij: "Toch wel, want iedereen maakt het mee. Op de rugafdeling is het normaal. Je zit in een rolstoel. Het is normaal. Maar je zal thuiskomen en beseffen hoe anders het leven is."
Ik kwam thuis en er gebeurde iets. Ik besefte dat Zuster Sam gelijk had. Ik werd depressief. Ik zat in mijn rolstoel. Ik had geen gevoel onder mijn middel. Ik zat vast aan een katheterfles. Ik kon niet lopen. Ik was fel vermagerd in het ziekenhuis, ik woog nog ongeveer 40 kilo. Ik wilde het opgeven. Ik wilde alleen maar mijn loopschoenen aantrekken en weglopen. Ik wilde mijn oude leven terug. Ik wilde mijn lichaam terug.
Ik herinner me hoe mama aan het voeteneinde van mijn bed zat en zei: "Ik vraag me af of het leven ooit weer mooi wordt."
Ik dacht: "Hoe dan? Ik ben alles kwijt dat van waarde was, alles waar ik naartoe werkte. Weg." Mijn vraag was: "Waarom ik? Waarom ik?"
Toen dacht ik aan mijn vrienden die nog op de rugafdeling lagen, vooral aan Maria. Maria had een auto-ongeluk. Ze werd wakker op haar 16de verjaardag en vernam dat ze volledig verlamd was. Ze had geen beweging vanaf haar nek, haar stembanden waren beschadigd en ze kon niet praten. Ze zeiden: "We gaan je naast haar leggen want we denken dat dat goed is voor haar." Ik maakte me zorgen. Ik wist niet hoe ik zou reageren op haar nabijheid. Ik wist dat het moeilijk zou zijn, maar het was een zegen. Maria glimlachte altijd. Ze was altijd gelukkig. Zelfs toen ze weer ging praten, zij het slecht verstaanbaar, klaagde ze nooit, niet één keer. Ik vroeg me af hoe ze dat niveau van aanvaardig had gevonden.
Ik besefte dat het niet alleen mijn leven was. Het was het leven zelf. Ik besefte dat het niet alleen mijn pijn was. Het was eenieders pijn. En ik wist opnieuw dat ik een keuze had. Ik kon blijven weerstand bieden, of ik kon loslaten en niet alleen mijn lichaam aanvaarden, maar ook de omstandigheden van mijn leven. Ik vroeg niet langer: "Waarom ik?" Ik begon te vragen: "Waarom ik niet?" Toen bedacht ik: de bodem van de put is misschien de beste plaats om te beginnen.
Ik had mezelf nooit als een creatief iemand gezien. Ik was atleet. Mijn lichaam was een machine. Maar ik maakte me op voor het meest creatieve project dat iemand ooit kan aanvatten: een nieuw leven opbouwen. Ik had helemaal geen idee van wat ik ging doen, maar die onzekerheid bracht ook vrijheid met zich mee. Ik zat niet langer aan een uitgestippeld pad vast. Ik was vrij om de oneindige mogelijkheden van het leven te verkennen. Dat besef ging mijn leven veranderen.
Ik zat thuis in mijn rolstoel en mijn gipsen harnas toen een vliegtuig overvloog. Ik keek op en dacht: "Dat is het! Als ik niet kan lopen, kan ik net zo goed vliegen." Ik zei: "Mama, ik ga leren vliegen." Zij: "Dat is leuk, kindje." (Gelach) Ik: "Geef me de telefoongids." Ze gaf me het telefoonboek. Ik belde met de vliegschool. Ik zei dat ik een oefenvlucht wilde boeken. Zij: "Weet je wanneer je wil komen?" Ik: "Wel, een vriend moet me brengen, want ik kan niet rijden. Kan ook niet echt lopen. Is dat een probleem?" Enkele weken later brachten mijn vriend Chris en mijn mama mij naar de luchthaven, mijn volle 40 kilo, in een gipsharnas, in een slobberende overall. (Gelach) Ik was niet bepaald de geknipte kandidaat voor een vliegbrevet. (Gelach) Ik hou me vast aan de toog omdat ik niet kan staan. Ik: "Hallo, ik kom voor een vliegles." Ze keken me aan en liepen weg om strootjes te trekken. "Jij krijgt haar." "Nee, jij neemt haar." Een kerel komt naar buiten. "Hallo, ik ben Andrew, ik ga met jou vliegen." Ik: "Geweldig!" Ze rijden met me weg, ze rijden me de tarmac op, en daar stond een rood-wit-blauw vliegtuig. Mooi. Ze hijsen me in de cockpit. Langs de vleugel gleed ik in de cockpit. Ze zetten me neer. Overal knoppen en wijzers. Ik: "Hoe weet je ooit waar al die knoppen en wijzers voor dienen? Andrew de instructeur ging vooraan zitten en startte het vliegtuig. Hij: "Wil je proberen te taxiën?" Daarbij bedien je met je voeten de roerpedalen om het vliegtuig op de grond te controleren. Ik: "Nee, ik kan mijn benen niet gebruiken." Hij: "Oh." Ik: "Maar ik kan mijn handen gebruiken." Hij: "Oké."
Hij reed naar de startbaan en startte de motoren. Toen we opstegen van de startbaan en de wielen loskwamen van de tarmac en we de lucht ingingen, had ik een ongelooflijk gevoel van vrijheid. Andrew zei, terwijl we over het trainingsgebied vlogen: "Zie je die berg daar?" Ik: "Ja." Hij: "Jij neemt de controle over en je vliegt naar die berg." Toen ik opkeek, besefte ik dat hij de Blauwe Bergen aanwees, waar de reis begonnen was. Ik nam de controle over en ik vloog. Ik was heel, heel ver van die rugafdeling en ik wist meteen dat ik piloot wilde worden. Ik had er geen benul van hoe ik door de medische proef zou geraken, maar dat waren zorgen voor later, want nu had ik een droom. Ik ging naar huis, maakte een trainingdagboek en had een plan. Ik oefende het lopen zoveel mogelijk. Eerst met twee personen die me rechthielden, dan één persoon, tot ik rond het meubilair kon stappen zolang het niet te ver verwijderd was. Ik maakte grote vooruitgang, tot ik rond het huis kon lopen, als ik me aan de muren vasthield, zo, en mama zei dat ze me altijd zou volgen en mijn vingerafdrukken zou afvegen. (Gelach) Maar ze wist tenminste altijd waar ik was.
Terwijl de dokters bleven opereren en mijn lichaam weer bijeenpuzzelden, ging ik verder met theorie studeren, en uiteindelijk, miraculeus, slaagde ik voor mijn medische test. Ik kreeg groen licht om te vliegen. Ik besteedde elk vrij moment op die vliegschool, ver buiten mijn comfortzone, met al die jonge kerels die Qantaspiloot wilden worden, en ik als kleine oude spring-in-'t-veld eerst in mijn gipsharnas, dan in mijn stalen brace, mijn slodderende overall, mijn tas met medicijnen en katheters en mijn mankepoot. Ze keken me na en dachten: "Wie maakt zij wat wijs? Dat lukt haar nooit." Soms dacht ik dat ook. Maar dat was niet belangrijk, want nu brandde er een vuur vanbinnen dat veel sterker was dan mijn kwetsuren.
Kleine doelstellingen hielden me aan de gang, en ik haalde mijn private vliegbrevet. Toen leerde ik navigeren en ik vloog mijn vrienden Australië rond. Toen leerde ik een tweemotorig vliegtuig besturen, en haalde ik daar een brevet voor. Ik leerde om bij slecht weer en bij mooi weer te vliegen. Ik haalde mijn instrumentenbrevet. Toen haalde ik mijn lijnpilootbrevet. En mijn instructeursbrevet. En ik kwam op dezelfde school terecht waar ik voor mijn eerste vlucht was heengegaan en leerde andere mensen vliegen, net geen 18 maanden nadat ik de rugafdeling had verlaten. (Applaus)
Toen dacht ik: "Waarom stoppen? Waarom leer ik niet ondersteboven vliegen?" Ik leerde ondersteboven vliegen en werd instructeur luchtacrobatie. Mama en papa? Nooit de lucht in geweest. Maar ik wist zeker dat hoewel mijn lichaam beperkt was, mijn geest niet te stoppen was.
De filosoof Lao Tzu zei ooit: "Als je loslaat wat je bent, word je wat je kan zijn." Ik besef dat pas toen ik losliet wie ik dacht te zijn, ik in staat was om een heel nieuw leven te creëren. Pas toen ik het leven losliet dat ik dacht te moeten leiden, kon ik het leven omarmen dat op me wachtte. Ik weet nu dat mijn grote kracht nooit uit mijn lichaam kwam. Hoewel mijn fysieke mogelijkheden dramatisch veranderd zijn, ben ikzelf niet veranderd. Het pilotenlicht vanbinnen brandde nog, zoals het in elk van ons brandt.
Ik weet dat ik niet mijn lichaam ben, en ik weet dat jij niet het jouwe bent. Het is niet belangrijk hoe je eruit ziet, waar je vandaan komt, hoe je de kost verdient. Het enige dat telt, is dat we de vlam van de menselijkheid blijven voeden door ons leven te leiden als de ultieme creatieve expressie van wie we echt zijn. Want we zijn allemaal verbonden door miljoenen en miljoenen strootjes. Het wordt tijd om die samen te leggen en vol te houden. Als we naar onze collectieve droom bewegen, moeten we onze focus op het fysieke opgeven en de deugden van het hart omarmen.
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation, or join one of these:
Cross-country-skiër Janine Shepherd hoopte op een Olympische medaille, tot ze tijdens een trainingsrit door een bestelwagen werd geraakt. Ze deelt een krachtig verhaal over het menselijk vermogen tot herstel. Haar boodschap: jij bent niet je lichaam. Als je oude dromen opgeeft, kunnen nieuwe dromen opstijgen.
Athlete Janine Shepherd was rendered a partial paraplegic when she was hit by a truck during an Olympic training bike ride. Doctors didn't expect her to recover. But she not only learned to walk again -- she learned to fly. Full bio »
Translated into Dutch by Els De Keyser
Reviewed by Christel Foncke
Comments? Please email the translators above.
12:21 Posted: Sep 2012
Views 348,512 | Comments 67
21:58 Posted: Feb 2010
Views 798,608 | Comments 233
19:30 Posted: Jul 2012
Views 1,804,802 | Comments 400
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.