Ik ben schrijver. Boeken schrijven is mijn werk, maar ook zoveel meer dan dat. Mijn hele leven lang ben ik al bezeten van schrijven en ik denk niet dat dat ooit zal veranderen. Toch is er onlangs iets eigenaardigs gebeurd in mijn leven en carrière, waardoor ik mijn relatie met mijn werk opnieuw moest bezien. Het begon met een boek dat ik onlangs heb geschreven, een autobiografisch relaas getiteld "Eten, Bidden, Beminnen", dat in tegenstelling tot mijn eerdere werk de hele wereld over ging en een internationale bestseller werd. Het gevolg is dat mensen me nu overal en altijd tegemoet treden alsof ik gedoemd ben. Werkelijk waar - gedoemd! Mensen komen naar me toe en vragen bezorgd: "Ben je niet bang dat je dit succes nooit zult kunnen evenaren? Ben je niet bang dat je je hele leven zult blijven schrijven maar nooit meer een boek zult publiceren waar mensen voor warm zullen lopen? Ben je daar niet bang voor?"
Erg geruststellend, weet je. Natuurlijk, dat zou erg zijn. Maar ik herinner me dat ik ruim 20 jaar geleden -- ik was toen een tiener -- dezelfde op angst gebaseerde reacties kreeg als ik vertelde dat ik schrijver wilde worden. Mensen zeiden:"Ben je niet bang dat je nooit succes zult krijgen? Ben je niet bang voor afwijzing, dat je eraan onderdoor zult gaan? Ben je niet bang dat je je leven aan dit werk zult wijden zonder dat er ooit iets uit voortkomt en dat je zult sterven op de scherven van gebroken dromen met je mond vol bittere as van falen?" (publiek lacht) Iets in die strekking.
In het kort komt mijn antwoord op die vragen hierop neer: "Ja". Ja, ik ben bang voor al die dingen die genoemd worden. Dat is altijd al zo geweest. Maar ik ben ook voor heel veel andere dingen bang, je wilt niet weten waarvoor allemaal. Voor zeewier bijvoorbeeld, en andere enge dingen. Maar wat betreft schrijven vraag ik mezelf de laatste tijd wel af waar die angst vandaan komt. Is het rationeel? Is het logisch dat iemand geacht wordt bang te zijn voor het werk waarvoor zij naar hun mening op aarde zijn gezet? Wat is er zo bijzonder aan creatieve processen dat we ons zorgen maken om de effecten ervan op de geestesgesteldheid, iets wat bij andersoortig werk helemaal niet gebeurt. Neem nou mijn vader. Hij was scheikundig ingenieur, en ik kan me niet herinneren dat er in de 40 jaar van zijn werkend bestaan ooit iemand aan hem heeft gevraagd of hij daar niet bang voor was. Zo van: "John, hoe is het met je chemieblokkade?" Nee, zo werd er niet over gesproken. Natuurlijk hebben scheikundig ingenieurs door de eeuwen heen niet de reputatie gekregen stuk voor stuk manisch-depressieve alcoholisten te zijn. (publiek lacht)
Schrijvers wel, die hebben zo'n soort reputatie. Niet alleen schrijvers, ook andere creatieve mensen hebben blijkbaar de reputatie mentaal behoorlijk instabiel te zijn. Kijk maar eens naar het grimmige dodental onder de meest magnifieke creatieve geesten van de 20e eeuw. Velen stierven jong, vaak door eigen toedoen. En zelfs degenen die geen zelfmoord pleegden, lijken onder hun gaven te zijn bezweken. In het laatste interview voor zijn dood zei Norman Mailer: "Met elk van mijn boeken is een stukje van mijzelf afgestorven." Dat is nogal wat om te zeggen over je levenswerk. Maar van dit soort uitspraken kijken we niet meer op. We hebben het allemaal al veel vaker gehoord en hebben het met z'n allen geaccepteerd. De heersende gedachte is dat creativiteit onlosmakelijk verbonden is met lijden en dat een artiestenbestaan uiteindelijk zal leiden tot ellende.
Daarom wil ik iedereen hier vandaag eens vragen: Kunnen jullie met dat idee leven? Vinden jullie dat OK? Want nu ik er eens goed over nadenk, vind ik het helemaal geen prettige gedachte. Ik vind het weerzinwekkend. En ook nog eens gevaarlijk. Ik zou niet graag zien dat dit deze eeuw ook zo gaat. We kunnen creatieve geesten veel beter stimuleren om wat van het leven te maken.
Ik weet zeker dat het voor mij, in mijn situatie, bijzonder gevaarlijk zou zijn om naar die donkere gedachte te leven. Zeker gezien de fase waarin mijn carrière zich nu bevindt. Ga maar na: Ik ben nog jong, amper veertig jaar. Ik kan misschien nog wel vier decennia doorwerken. Hoogstwaarschijnlijk zal alles wat ik nu nog publiceer door de buitenwereld worden gezien als het werk dat volgde op dat buitengewoon successvolle boek. We zijn hier met vrienden onder elkaar, dus ik kan het u wel verklappen: hoogstwaarschijnlijk ligt mijn grootste succes al achter me. Jemig, wat een idee! Als je zo gaat denken, zit je voor je het weet 's ochtends om negen uur al aan de drank. Dat wil ik dus niet. (publiek lacht) Ik houd me liever bezig met het werk waar ik van houd.
De vraag is: "Hoe?" Na lang nadenken ben ik tot de conclusie gekomen dat ik alleen door kan gaan met schrijven als ik een psychologische bescherming in het proces inbouw. Ik moet tijdens het schrijven een veilige afstand zien te creëren tussen mijzelf en mijn overigens heel begrijpelijke angst voor de reacties op mijn toekomstige publicaties. Ik heb het afgelopen jaar gezocht naar manieren om dat voor elkaar te krijgen. Ik ben in de geschiedenis gedoken en heb me verdiept in andere beschavingen om te zien of anderen misschien een betere manier hebben gevonden om creatieve mensen te helpen om te gaan met de emotionele complicaties van het creatieve proces.
Mijn zoektocht heeft me gebracht bij de oude Grieken en Romeinen. Let op, want het is een lang en ingewikkeld verhaal. In de tijd van de oude Grieken en Romeinen geloofden mensen niet dat creativiteit afkomstig was van henzelf. Men geloofde dat creativiteit een geest was, die van een verre, onbekende plek naar de mens toekwam, om vage en onverklaarbare redenen. De Grieken noemden deze behulpzame geesten van creativiteit "demonen". Ook Socrates geloofde dat hij een demoon had die hem van verre wijze woorden influisterde. De Romeinen hadden een soortgelijk idee. Bij hen heette zo'n begeleidende creatieve geest een "genie". Het grappige is dat de Romeinen de intelligentie van hun genieën niet echt hoog inschatten. In hun beleving was een genie een soort magische goddelijke entiteit die zich ophield in de muren van het atelier van de artiest. Een beetje zoals Dobby de huiself. Als de artiest aan het werk was, verleende het genie assistentie. Onzichtbaar gaf hij vorm aan het werk.
Briljant! Dat is precies de afstand waar ik het eerder over had, de psychologische bescherming tegen de resultaten van je werk. En iedereen wist hoe dat in zijn werk ging. De artiest werd zo in bescherming genomen tegen bijvoorbeeld te veel narcisme. Als je werk briljant was, kreeg je daar niet alle eer voor. Iedereen wist namelijk dat een onzichtbaar genie je had geholpen. Werd je werk afgekraakt, dan lag dat niet alleen aan jou. Iedereen wist dat je een nogal onhandige genie had. Lange tijd is dat de manier geweest waarop in het Westen tegen creativiteit werd aangekeken.
Toen deed de Renaissance zijn intrede, en alles veranderde. Er ontvouwde zich een heel nieuw idee: de individuele mens is het middelpunt van het universum en staat boven alle goden en mysteries. Dat laat geen ruimte voor mystieke wezens die aangestuurd worden vanuit de goddelijke wereld. Dat was het begin van het rationele humanisme. Mensen geloofden dat creativiteit volledig uit het individu voortkwam. En voor het eerst in de geschiedenis werd er over artiesten gezegd dat zij een genie waren en niet dat zij een genie hadden.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat een grote fout vind. Om één persoon, één enkel individu in de waan te laten dat hij of zij het vehikel is, de essentie, de bron van het eeuwige mysterie, van alles wat goddelijk, creatief en het bekende voorbij is - dat is iets te veel verantwoordelijkheid voor een eenvoudig mensenkind. Het is alsof je iemand vraagt de zon in te slikken. Ego's worden tot gigantische proporties opgeblazen en er worden onvoorstelbaar hoge verwachtingen aan prestaties gekoppeld. En ik denk dat deze druk de laatste 500 jaar veel artiesten kapot heeft gemaakt.
Laten we aannemen dat dat zo is. De vraag is dan: "Wat nu?" Kunnen we hier op een andere manier naar kijken? Kunnen we teruggrijpen op een idee uit de oudheid om de relatie tussen de mens en het creatieve mysterie te verklaren? Misschien niet. Wellicht is het onmogelijk om 500 jaar rationeel humanisme ongedaan te maken in een 18 minuten durende speech. Waarschijnlijk zitten er in het publiek mensen die gerede wetenschappelijke twijfels hebben over het idee dat elfachtige wezentjes met wat feeënpoeder het werk van artiesten tot inspirerende hoogtes brengen. Het lijkt me niet dat ik u allemaal daarin zal meekrijgen.
Toch vraag ik het me af. Waarom niet? Waarom zouden we die gedachte niet mogen volgen? Het snijdt net zoveel hout als alle andere verklaringen van de totaal gekmakende onberekenbaarheid die besloten ligt in het creatieve proces. Iedereen die wel eens iets heeft proberen te creëren -- dus in feite alle aanwezigen hier -- weet dat het creatieve proces zich niet altijd rationeel gedraagt. En dat het soms bijna paranormaal aanvoelt.
Ik heb onlangs de buitengewone Amerikaanse dichteres Ruth Stone ontmoet. Zij is dik in de negentig. Haar hele leven al schrijft ze gedichten. Ze vertelde me over haar jeugd op het platteland van Virginia. Soms, als ze op het veld aan het werk was, voelde ze, hoorde ze een gedicht aankomen, over het land. Het was, zo zei ze, alsof er een grote golf lucht kwam aanrollen. Zo'n gedicht golfde dan over het land naar haar toe. Ze hoorde het en voelde het. De grond onder haar voeten begon te schudden en ze wist dat haar op dat moment maar één ding te doen stond: rennen voor haar leven. Ze haastte zich dan naar huis, achtervolgd door het gedicht en ze wist dat ze zo snel mogelijk pen en papier moest zien te pakken. Al gauw zou het gedicht door haar heen komen golven en dat was haar enige kans om het op te schrijven. Soms reageerde ze niet snel genoeg. Dan rende ze zich de benen uit het lijf, maar kwam toch niet op tijd thuis. Op zulke momenten schoot het gedicht door haar heen en verdween over de velden achter het huis, op zoek naar een andere dichter. Ook waren er wel eens keren -- dit vind ik het mooiste deel van het verhaal -- dat ze het gedicht bijna miste. Dan was ze in huis op zoek naar pen en papier, en schoot het gedicht door haar heen. Juist op dat moment had ze dan een potlood te pakken. En met haar andere hand, zo vertelde me ze, plukte ze het gedicht uit de lucht. Ze pakte het gedicht bij zijn staart, en trok het weer terug in haar lichaam. Op hetzelfde moment pende ze het dan neer. In die gevallen kwam het gedicht weliswaar in z'n geheel op papier, maar dan wel in omgekeerde volgorde. (publiek lacht)
Toen ik dat hoorde, dacht ik -- wat toevallig, zo verloopt mijn creatieve proces ook! (publiek lacht)
Nee, dat is niet hoe mijn creatieve proces werkt. Ik ben geen pijpleiding! Ik ben een muilezel. Mijn proces houdt in dat ik iedere dag op hetzelfde tijdstip opsta en me met bloed, zweet en tranen erdoorheen worstel. Maar zelfs in dat dagelijkse zwoegen heb ik wel eens zo'n ervaring gehad. Jullie zullen het zelf ook wel kennen, dat gevoel dat er creatieve ideeën in je opborrelen vanuit een bron die je onmogelijk kunt identificeren. Wat is dat dan voor bron? Hoe kunnen we het gebruiken zonder dat het ons kwaad doet? Hoe kunnen we het in ons voordeel benutten?
Het beste contemporaine voorbeeld dat ik hierbij kan bedenken is muzikant Tom Waits. Een paar jaar geleden interviewde ik hem voor een tijdschrift. We hadden het toen over creativiteit. Tom is in feite een groot deel van zijn leven het toonbeeld geweest van de gekwelde hedendaagse artiest die uit alle macht probeert grip te krijgen op de onbeheersbare creatieve impulsen die in hem opduiken.
Met het klimmen der jaren werd Tom wat rustiger. Op een dag, zo vertelde hij me, toen hij in Los Angeles over de snelweg reed, veranderde het proces radicaal. Terwijl hij daar zo reed, hoorde hij een fragmentje van een melodie. Het besloop hem, zoals inspiratie dat wel vaker doet, ongrijpbaar, kwellend. Het was een mooie melodie, en hij wilde het vasthouden. Maar helaas, hij had geen middelen om dat te doen. Hij had geen papiertje, geen pen, geen taperecorder bij zich.
De welbekende spanning nam weer bezit van hem: "Ik raak de melodie kwijt, en dan zal het me voor altijd achtervolgen. Ik ben niet goed genoeg, ik kan het niet." Hij raakte echter niet in paniek. Nee, hij stopte. Hij stopte dat hele mentale proces en deed iets nieuws. Hij keek omhoog naar de lucht en zei: "Sorry hoor, kun je niet zien dat ik achter het stuur zit?" (publiek lacht) "Denk je echt dat ik nu een liedje kan opschrijven? Als je echt wilt dat dit liedje er komt, moet je later nog eens aankloppen als ik wel tijd voor je heb. Zo niet, ga dan iemand anders lastig vallen. Ga buurten bij Leonard Cohen."
En vanaf dat moment verliep het proces heel anders. Het werk zelf is nog hetzelfde, met de bekende donkere ondertoon. Maar de zware spanning die het creatieve proces in hem opriep verdween toen hij zich distantieerde van het genie. Het genie zat hem te dicht op de huid en leverde alleen maar ellende op. Tom realiseerde zich dat er geen reden was om eraan onderdoor te gaan. Het kon ook een wonderlijke samenwerking zijn, een conversatie tussen Tom en het eigenaardige aspect dat niet helemaal van Tom zelf was.
Dat verhaal heeft me een beetje de ogen geopend. Mijn manier van werken veranderde. Ik heb er al eens profijt van gehad. Dat was toen ik midden in het creatieve schrijfproces rondom Eten, Bidden, Beminnen zat. Op een gegeven moment verviel ik in wanhoop. Je kent dat wel: je werk wil maar niet goed lukken en je denkt echt dat het een verschrikkelijke ramp wordt. Dit wordt het slechtste boek ooit. Niet zomaar slecht, echt verschrikkelijk slecht. Ik wilde het hele project al opdoeken. Toen herinnerde ik me Tom die zich tot zijn genie wendde, en ik besloot ook een poging te wagen. Ik wendde me af van mijn manuscript en richtte me tot een lege hoek van de kamer. En ik zei hardop: "Luister ding, als dit boek niet briljant is, dan komt dat niet door mij, begrepen? Je ziet toch wel dat ik er alles in stop wat ik in me heb. Meer kan ik niet geven. Als jij vindt dat het beter kan, dan moet je je nu jouw ding komen doen. Snap je? Doe je dat niet, jammer dan. Ik schrijf gewoon door, want dat is nu eenmaal mijn werk. O, en in de notulen mag wel worden vermeld dat ìk vandaag gewoon op kantoor ben verschenen." (publiek lacht)
Tja--- (Applaus) Uiteindelijk komt het hier op neer... Eeuwen geleden kwamen er in de Noord-Afrikaanse woestijn mensen samen om bij maanlicht te dansen op heilige muziek. Uren en uren achtereen, tot aan het ochtendgloren. Geweldig. De dansers waren professionals en hun dans was werkelijk magnifiek. Soms, heel soms, gebeurde er echter iets bijzonders. Een van die dansers werd dan transcendent. Jullie weten vast wel wat ik daarmee bedoel, jullie hebben ooit ook wel eens zoiets gezien bij een performer. Het was alsof de tijd stilstond en de danser door een poort stapte. Hij deed niets anders dan de duizenden nachten ervoor, maar toch was nu alles helemaal één. Plotseling was hij meer geworden dan een mens. In hem, onder hem, boven hem gloeide het. Een goddelijk vuur doortrok hem.
Als zoiets gebeurde, dan benoemden de mensen dat. Dan begonnen ze te klappen en in koor te roepen: "Allah, Allah, Allah, God, God, God." Want dat was het voor hen. Trouwens, een leuk historisch feitje: Toen de Moren Zuid-Spanje veroverden, brachten ze deze gewoonte met zich mee. De uitspraak is echter door de eeuwen heen veranderd van "Allah, Allah, Allah" in "Olé, olé, olé." Dat hoor je vandaag de dag nog bij stierengevechten en flamengodansen. Als een artiest in Spanje iets onmogelijks, iets magisch doet, dan roept men: "Allah, olé, olé, Allah, geweldig, bravo." Onbegrijpelijk. Een glimp van God. Precies wat we nodig hebben.
Lastig is echter dat de danser de volgende morgen bij het ontwaken ontdekt dat hij op dinsdag om 11 uur 's ochtends geen goddelijke lading meer heeft. Op dat moment is hij weer een wat oudere man met versleten knieën die wellicht nooit meer tot zulke hoogten zal komen. Misschien zal er nooit meer iemand God aanroepen tijdens zijn dans. Wat moet hij nu nog met de rest van zijn leven? Dat is moeilijk. Dat is werkelijk moeilijk te verkroppen voor een creatieve geest. Maar zo pijnlijk hoeft het niet te zijn. Stel dat je er al niet van uit gaat dat de meest ongewone aspecten van jouw persoon uit jouzelf komen. Stel dat je gelooft dat je ze een tijdje te leen hebt gekregen van een niet nader te specificeren bron. Wanneer je er klaar mee bent, worden ze doorgegeven aan iemand anders. Zo beschouwt, kantelt alles.
Ik hang inmiddels die gedachte aan. De laatste maanden heb ik aan een boek gewerkt dat binnenkort zal verschijnen. Het boek waar veel te lang reikhalzend naar is uitgekeken. De opvolger van die illustere voorganger.
Als mijn gedachten met me aan de haal gaan, houd ik me steeds hetzelfde voor: Wees niet bang. Zie er niet tegenop. Doe gewoon je werk. Blijf gewoon je ding doen, wat het ook is. Als het je taak is om te dansen, ga dansen. Als het goddelijke genie dat jou is toegewezen besluit om in je werk op enig moment iets van de wonderlijke bron door te laten schemeren, "Olé!" Gebeurt dat niet, dans dan toch maar door. En ook dan: "Olé!" Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste aanpak is, die navolging verdient. "Olé!", hoe dan ook, omdat we uit pure liefde voor de mens, uit eigenwijsheid toch door blijven ploeteren.
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation.
Elizabeth Gilbert houdt een beschouwing over de ondoenlijke grootsheid die we van artiesten en genieën verwachten -- en poneert in een grappige, persoonlijke en verrassend ontroerende presentatie de radicale stelling dat mensen niet zozeer een genie "zijn" maar een genie "hebben".
The author of 'Eat, Pray, Love,' Elizabeth Gilbert has thought long and hard about some large topics. Her latest fascination: genius, and how we ruin it. Full bio »
Translated into Dutch by Walter Brand
Reviewed by Nicolette Marié
Comments? Please email the translators above.
22:52 Posted: Apr 2008
Views 966,164 | Comments 117
19:24 Posted: Jun 2006
Views 16,448,201 | Comments 2999
09:26 Posted: Jun 2011
Views 869,100 | Comments 2389
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.