Dit is de plek waar muziek die ik als jonge man schreef voor het eerst werd uitgevoerd. Het was, opmerkelijk genoeg, een vrij goed klinkend zaaltje. Met die ongelijke muren en overal rotzooi klonk het eigenlijk best goed. Dit liedje is daar opgenomen. (Muziek) Dit zijn niet de Talking Heads, op de foto althans. (Muziek: "A Clean Break (Let's Work)" door Talking Heads) De aard van de zaal bepaalde dat je de woorden kon verstaan. De liedteksten waren vrij goed te begrijpen. De zaalversterking was best goed. Er was niet veel galm in de zaal. De ritmes konden redelijk intact blijven, aardig strak. Er waren nog dergelijke zaaltjes op andere plaatsen in het land. Dit is Tootsie's Orchid Lounge in Nashville. De muziek was wel wat anders, maar qua structuur en vorm zo goed als hetzelfde. De bezoekers gedroegen zich ook zeer vergelijkbaar. Daarom moesten de bands in Tootsie's of in CBGB's hard genoeg spelen -- het volume moest luid genoeg zijn om mensen te overstemmen die omvielen of schreeuwden of wat ze allemaal nog meer deden.
Sindsdien heb ik op andere plekken opgetreden die veel prettiger zijn. Ik heb hier in de Disney Hall gestaan en in Carnegie Hall en gelijkaardig. Dat was echt geweldig. Ik ontdekte ook dat de muziek die ik had geschreven, of op dat moment schreef, niet altijd zo geweldig klonk in sommige van die zalen. Het kon ermee door, maar soms leken die zalen niet echt geschikt voor de muziek die ik maakte of had gemaakt. Dus vroeg ik me af: componeer ik dingen voor specifieke zalen? Heb ik een plek, een zaal, in gedachten als ik schrijf? Is dat een soort model voor creativiteit? Maken we allemaal dingen met een plaats, een context in gedachten?
Oké, Afrika. (Muziek: "Wenlenga" / Verschillende artiesten) De meeste populaire muziek die we nu kennen heeft veel wortels in West Afrika liggen. De muziek daar, de instrumenten, de ingewikkelde ritmes, de speelwijze, de omgeving, de context, is allemaal perfect. Het werkt perfect. De muziek werkt perfect in die omgeving. Er is geen grote zaal die galmt waardoor het ritme verwarrend wordt. De instrumenten zijn luid genoeg om ze te horen zonder versterking, enzovoorts. Dat is geen toeval. Het is perfect voor die specifieke context. Het zou een rommeltje zijn in deze context. Dit is een gotische kathedraal. (Muziek: "Spem In Alium" door Thomas Tallis) In een gotische kathedraal werkt deze muziek precies goed. De toonsoort verandert niet. De noten zijn lang. Er is bijna geen ritme. De ruimte flatteert de muziek en verbetert ze zelfs. Dit is de zaal waarvoor Bach wat van zijn stukken schreef. Dit is het orgel. Niet zo groot als een gotische kathedraal waardoor hij iets ingewikkelder stukken kan schrijven. Hij kan, zeer innovatief, toonsoorten veranderen zonder risico op grote dissonanten. (Muziek: "Fantasia On Jesu, Mein Freunde" door Johann S. Bach)
Dit is iets later. In zo'n soort zaal schreef Mozart muziek. Volgens mij zijn we hier in 1770 ongeveer. Ze zijn kleiner, nog minder galmend, waardoor hij muziek met veel franje kan schrijven die zeer complex is -- en het werkt. (Muziek: "Sonata in F," KV 13, door Wolfgang A. Mozart) Het past perfect bij de zaal. Dit is La Scala. Ongeveer van dezelfde tijd, gebouwd rond 1776. Mensen in het publiek van deze operahuizen die toen werden gebouwd riepen naar elkaar. Ze aten, dronken en schreeuwden naar mensen op het podium, precies zoals bij CBGB's en dat soort plekken. Als ze een aria mooi vonden, riepen ze en gaven aan dat ze het nog eens moesten spelen, als toegift, niet aan het einde van de voorstelling maar nu meteen. (Gelach) Dat was een opera-ervaring. Dit is het operahuis dat Wagner voor zichzelf bouwde. De ruimte is niet zo groot. Het is kleiner dan hier. Maar Wagner bedacht iets nieuws. Hij wilde een groter orkest. Hij wilde wat meer bombast. Dus vergrootte hij de orkestbak zodat hij er meer lage instrumenten in kon krijgen. (Muziek: "Lohengrin / Prelude to Act III" door Richard Wagner)
Oké. Dit is Carnegie Hall. die natuurlijk populair werd. De zalen werden groter. Carnegie Hall is aardig groot. Groter dan andere symfonie-zalen. Ze galmen veel meer dan La Scala. Rond die tijd, volgens Alex Ross van de New Yorker, werd de regel ingevoerd dat het publiek stil moest zijn, niet meer eten, drinken en roepen naar het podium, of roddelen met elkaar tijdens de uitvoering. Ze moesten heel stil zijn. Die twee dingen samen betekenden dat een ander soort muziek het beste werkte in dit soort zalen. Het hield in dat er extreme dynamiek kon zijn, die je niet terugvond in sommige andere soorten muziek. Zachte passages waren nu te horen die anders overstemd zouden zijn door al het geroddel en geschreeuw. Maar door de weergalm in zalen als Carnegie Hall moest de muziek toch wat minder ritmisch zijn en met iets meer textuur. (Muziek: "Symphony No. 8 in E Flat Major" door Gustav Mahler) Dit is Mahler. Hij ziet er uit als Bob Dylan, maar het is Mahler. Dat was Bob zijn nieuwste plaat, ja.
Populaire muziek ontstaat in dezelfde periode. Dit is een jazzband. Volgens Scott Joplin speelden deze bands op rivierboten en in clubs. Het is weer lawaaierig. Ze spelen voor dansers. Er zijn bepaalde delen van het liedje -- er waren verschillende delen die de dansers mooi vonden. Dan zeiden ze: "Speel dat stukje nog eens." Je kunt natuurlijk maar een beperkt aantal keer hetzelfde stukje van een lied blijven herhalen voor de dansers. Bands gingen nieuwe melodieën improviseren. Er ontstond een nieuw soort muziek. (Muziek: "Royal Garden Blues" door W.C. Handy / Ethel Waters) Dit wordt meestal in kleine zaaltjes gespeeld. Mensen dansen, schreeuwen en drinken. Dus moet de muziek luid genoeg zijn om er bovenuit te komen. Hetzelfde geldt voor -- dat is aan het begin van de eeuw -- voor alle populaire muziek van de twintigste eeuw, of het nu rock of latinmuziek is, of wat dan ook. Livemuziek verandert niet echt sterk.
Het verandert rond eenderde van de twintigste eeuw, toen dit één van de primaire plekken voor muziek werd. En dit was één van de manieren waarop de muziek daar terecht kwam. Microfoons zorgden ervoor dat vooral vocalisten muzikanten en componisten, de muziek die ze schreven totaal veranderden. de muziek die ze schreven totaal veranderden. Tot dan toe was veel muziek op de radio live, maar zangers als Frank Sinatra gebruikten de microfoon om dingen te doen die ze zonder microfoon nooit hadden gekund. Andere zangers na hem gingen zelfs nog verder. (Muziek: "My Funny Valentine" door Chet Baker) Dit is Chet Baker. En zoiets als dit zou onmogelijk zijn geweest zonder een microfoon. Zonder opgenomen muziek zou het ook nooit hebben gekund. Hij zingt recht in je oor. Hij fluistert in je oor. Het effect is domweg opwindend. Alsof de man pal naast je zit, en van alles in je oor fluistert.
Vanaf dit moment splitste muziek zich. Je hebt live muziek, en opgenomen muziek. Die hoeven niet meer precies hetzelfde te zijn. Je hebt plekken zoals deze: een discotheek, en je hebt jukeboxen in cafés zodat je niet eens een band nodig hebt. Er hoeven helemaal geen livemuzikanten meer te zijn. De geluidsinstallaties zijn goed. Mensen gingen muziek speciaal voor disco's maken en voor die geluidsinstallaties. Net zoals bij jazz vonden dansers bepaalde stukken mooier dan andere. Vroege hiphop-gasten lieten bepaalde delen herhalen. (Muziek: "Rapper's Delight" door The Sugarhill Gang) De MC improviseerde teksten net zoals jazzmuzikanten melodieën improviseerden. Zo ontstond er een nieuw soort muziek.
Live-optredens, wanneer die zeer succesvol waren, kwamen terecht in wat akoestisch gezien wellicht de slechtste plekken op aarde zijn: sport-, basketbal- en ijshockeystadions. sport-, basketbal- en ijshockeystadions. Muzikanten die daar speelden deden wat ze konden. Ze schreven wat je nu stadionrock noemt, dat zijn ballads in een gemiddeld tempo. (Muziek: "I Still Haven't Found What I'm Looking For" door U2) Ze deden wat ze konden, gegeven dat ze het hiervoor maakten. De tempo's zijn gemiddeld. Het klinkt groots. Het is meer een sociale situatie dan een muzikale situatie. In zekere zin werkt de muziek die ze hiervoor maken, perfect. werkt de muziek die ze hiervoor maken, perfect.
Er zijn meer nieuwe plekken. Eén ervan is de auto. Ik groeide op met een radio in een auto. Tegenwoordig is dat geëvolueerd in iets anders. De auto is een complete concertzaal. (Muziek: "Who U Wit" door Lil' Jon & the East Side Boyz) De muziek die, naar mijn mening, is geschreven voor stereo-installaties in de auto werkt er perfect op. Het is misschien niet waar je thuis naar wilt luisteren, maar het werkt uitstekend in de auto -- heeft een enorm frequentiespectrum, zoals diepe bassen en hoge tonen en de zang ergens in het midden. Automuziek kun je delen met je vrienden.
Er is nog een andere nieuwe concertzaal: de eigen MP3-speler. Ik neem aan dat dit alleen voor christelijke muziek is. (Gelach) Ergens lijkt het wel op Carnegie Hall, of wanneer het publiek stil moet zijn, want tegenwoordig kun je elk klein detail horen. Ergens lijkt het ook op West-Afrikaanse muziek want als de muziek op een MP3-speler te zacht wordt draai je het volume omhoog, en vervolgens knallen je oren kapot bij een luidere passage. Dat werkt dus niet echt. Ik denk dat popmuziek tegenwoordig is geschreven, tot op zekere hoogte, voor dit soort spelers, voor dit soort persoonlijke beleving waarbij je elk extreem detail kunt horen maar waarbij de dynamiek niet echt verandert.
Dus vroeg ik me af: goed, is dit een model voor creatie, zoals we onszelf aanpassen? Gebeurt het ook ergens anders? Volgens David Attenborough en een paar anderen doen vogels het ook. De vogels in de bovenste takken van de boom waar de bladerdichtheid hoog is: hun roep is meestal hoog van toon, kort en herhalend. De vogels op de grond hebben meestal een lagere roep, zodat het minder vervormt wanneer het wordt weerkaatst op de bosbodem. Vogels zoals deze Passerculus hebben meestal een zoemend (Geluidsfragment: roep van de Passerculus) soort roep. Het blijkt dat zo'n soort geluid het meest energiezuinig en praktisch is om hun roep over de velden en savannes te laten reiken. Andere vogels zoals deze tangara hebben zich aangepast binnen hun soort. De tangara aan de oostkust van de VS, waar de bossen wat dichter zijn, hebben een bepaalde roep, en de tangara aan de andere kant, in het westen, (Geluidsfragment: roep van de rode tangara) heeft een andere roep. (Geluidsfragment: roep van de rode tangare) Dus vogels doen het ook.
En ik dacht: Dit is dus een model voor creatie: als we muziek maken, in eerste instantie de vorm die we aanpassen aan de contexten, en als we kunst maken die past bij galerie- of museummuren en als we software maken voor bestaande besturingssystemen, werkt het dan zo? Ja. Ik denk dat het evolutionair is. Het past zich aan. Maar het plezier en de passie en het geluk is er nog steeds. Dit is een omgekeerde kijk op de dingen vergeleken met de traditionele romantische kijk. In de romantische kijk is er eerst de passie en dan de uitstorting van emotie, en dan krijgt het op de één of andere manier vorm. Ik zeg: er is nog steeds passie, maar het medium waarin het wordt ingebracht en ingegoten, dat wordt instinctief en intuïtief als eerste gecreëerd. We weten al waar die passie terechtkomt. Deze tegengestelde visies zijn best interessant.
De schrijver, Thomas Frank, zegt dat dit een verklaring kan zijn waarom sommige stemmers in hun eigen nadeel stemmen, dat stemmers, zoals velen van ons, aannemen dat als ze iets horen wat oprecht klinkt, dat het recht uit het hart komt, gepassioneerd, dat het authentieker is. Daar stemmen ze dan op. Dus als iemand doet alsof hij oprecht is, passie imiteert, dan heeft hij meer kans om uitgekozen te worden. Dat lijkt nogal gevaarlijk. Ik stel dat die twee: passie en plezier elkaar niet uitsluiten.
Misschien heeft de wereld nodig dat we beseffen dat we als vogels zijn. We passen ons aan. We zingen. Net zoals bij vogels is het plezier er nog steeds, ook al passen we wat we doen aan aan de context.
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation.
Tijdens zijn carrière speelde David Byrne van CBGB tot in Carnegie Hall. Hij stelt de vraag of muziek wordt bepaald door de ruimte waarin het wordt uitgevoerd. Van drummen in de buitenlucht tot Wagneriaanse opera's tot stadionrock - hij onderzoekt hoe muziek evolueerde door de context.
David Byrne builds an idiosyncratic world of music, art, writing and film. Full bio »
Translated into Dutch by Felix Degenaar
Reviewed by Ester Meerman
Comments? Please email the translators above.
25:05 Posted: Jan 2010
Views 220,322 | Comments 72
09:26 Posted: Mar 2010
Views 510,189 | Comments 150
20:51 Posted: Oct 2009
Views 1,124,588 | Comments 175
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.