Hoe krijg je het voor elkaar dat groepen iets doen? Hoe organiseer je een groep mensen zodat wat ze voortbrengen iets samenhangends is en blijvende waarde heeft, in plaats van gewoon chaos? Economen noemen dat probleem "coördinatiekosten". Coördinatiekosten zijn in feite alle financiële of institutionele moeilijkheden in het regelen van de output van een groep. We hebben een klassiek antwoord op coördinatiekosten. Als je het werk van een groep mensen wilt coördineren, dan begin je een instelling. Je haalt wat geld op. Je sticht iets. Het kan particulier of openbaar zijn. Het kan voor winst gaan of niet. Het kan groot zijn of klein. Maar je krijgt dat geld bij elkaar. Je sticht een instelling en je gebruikt die om de activiteiten van de groep te coördineren.
Omdat de kosten om groepen te laten communiceren met elkaar steeds lager worden -- en communicatiekosten zijn één van de grote onderdelen van coördinatie -- is er sinds kort een tweede antwoord en dat is de samenwerking in de infrastructuur onderbrengen, een systeem ontwerpen dat de uitvoer van de groep coördineert, als een nevenproduct van de werking van het systeem, zonder dat daar institutionele modellen aan te pas komen. Daar wil ik vandaag over praten. Ik ga het illustreren met een aantal tamelijk concrete voorbeelden, maar ik zal steeds blijven wijzen naar de bredere thema's.
Eerst probeer ik een vraag te beantwoorden die jullie allemaal wel eens aan je zelf hebben gesteld. Het internet is gebouwd om erop te antwoorden: "Waar kan ik een foto vinden van een zeemeermin op rolschaatsen?" In New York City wordt op de eerste zaterdag van elke zomer op Coney Island, ons plaatselijke schattige vervallen amusementspark de Zeemeerminnenparade georganiseerd. Het is een amateur-parade. Mensen uit de hele stad komen helemaal verkleed. Sommige mensen verkleden zich minder. Jong en oud, dansend door de straten. Kleurrijke figuren, en het is leuk voor iedereen. Waar ik jullie aandacht op wil vestigen, is niet de Zeemeerminnenparade zélf, hoe schattig die ook is, maar deze foto's. Ik heb ze niet genomen. Hoe ben ik eraan gekomen? Het antwoord is: ik heb ze van Flickr.
Flickr is een dienst om foto's te delen, die mensen de gelegenheid biedt om foto's te maken, ze te uploaden, ze te delen over het web enzovoort. Kort geleden heeft Flickr een extra functie toegevoegd, genaamd "tagging". De weg voor tagging werd bereid door Delicious en Joshua Schachter. Delicious is een sociale favorieten-dienst. Tagging is een coöperatief infrastructureel antwoord op classificatie. Als ik deze toespraak vorig jaar had gegeven, had ik niet kunnen doen wat ik net heb gedaan, want ik had deze foto's niet kunnen vinden. Maar in plaats van te zeggen dat we professionele bibliothecarissen moeten inhuren om de foto's te organiseren als ze zijn geüpload, liet Flickr simpelweg aan de gebruikers de mogelijkheid om de kenmerken van de foto's te bepalen. Dus kon ik erheen te gaan en foto's te vinden met het label "Zeemeerminnenparade". Er waren 3.100 foto's, genomen door 118 fotografen, allemaal verzameld en ondergebracht onder deze leuke, gave naam, getoond in volgorde van nieuw naar oud. Ik kon ze terugvinden zodat ik die kleine dia-voorstelling kon geven.
Welk moeilijk probleem wordt hier opgelost? Het is, als je het erg schematisch bekijkt, een coördinatieprobleem. Er zijn heel veel mensen op het Internet en een heel klein deel van die mensen heeft foto's van de Zeemeerminnenparade. Hoe krijg je die mensen samen om die bijdrage te leveren? Het klassieke antwoord is een instelling. Je zet die mensen in een voorgekauwde structuur die expliciete doelen heeft. Ik wil je aandacht vestigen op een aantal neveneffecten van het betreden van de institutionele weg.
Ten eerste, als je een instelling vormt, moet je de boel managen. Het heeft geen zin als je alleen werknemers aanneemt. Je moet ook andere werknemers aannemen die die werknemers managen en de doelstellingen van de instelling erdoor drukken enzo. Ten tweede, je moet een structuur opzetten. Je moet een economische structuur hebben. Je moet een juridische structuur hebben. Je moet een fysieke structuur hebben. En dat kost extra veel geld. Ten derde, een instelling vormen is inherent uitsluitend. Je ziet dat we niet iedereen hebben die een foto heeft. Je kunt niet iedereen aannemen in een bedrijf. Je kunt niet iedereen aannemen in een overheidsinstantie. Je moet mensen uitsluiten. Ten vierde, door die uitsluiting kom je uit bij een professionele klasse. Zie hier de verandering. We zijn vertrokken bij mensen met foto's en komen uit bij fotografen. We hebben een professionele klasse van fotografen gecreëerd wiens doel het is om foto's te maken van de Zeemeerminnenparade, of iets anders als ze daarheen gestuurd worden om foto's te maken.
Wanneer je samenwerking in de infrastructuur inbouwt, zoals Flickr, kun je de mensen laten zitten waar ze zitten en kun je het probleem naar de mensen brengen, in plaats van de mensen naar het probleem. Je zorgt voor de coördinatie in de groep en op die manier krijg je dezelfde uitkomst, maar dan zonder de institutionele moeilijkheden. Je verliest het institutionele moeten. Je verliest het recht om het werk van mensen te kneden als het vrijwillig is, maar je werpt ook de institutionele kosten van je af en daardoor word je meer flexibel. Wat Flickr doet, is planning vervangen door coördinatie. Dit is een centraal aspect van deze samenwerkingssystemen.
Je zult dit wel hebben meegemaakt in je leven, dat wanneer je je eerste mobiele telefoon had gekocht, je stopte plannen te maken. Je zei gewoon: "Ik bel je als ik aangekomen ben." "Bel me als je klaar bent met werken." Dat is een één-op-één vervanging van planning door coördinatie. We zijn nu in staat dat soort dingen te doen met groepen. We kunnen, in plaats van "we moeten vooraf een plan maken", "we moeten een vijfjarenplan hebben van waar Wikipedia dan staat", of zo gewoon zeggen: "laten we de bijdrage van de groep coördineren en het bij de hoorns grijpen als we bezig zijn", omdat onze coördinatie nu zo goed is dat we niet meer vooraf moeten beslissen wat we gaan doen. Dat is geen probleem meer.
Hier is een ander voorbeeld. Dit is wat somberder. Dit zijn foto's op Flickr met het label "Irak". Alles wat moeilijk was met de coördinatiekosten bij de Zeemeerminnenparade is hier nog moeilijker. Er zijn meer foto's. Er zijn meer fotografen. Het gaat over een groter geografisch gebied. De foto's zijn verspreid over een langere tijdsspanne. En het allerergste, dat getal onderaan, ongeveer tien foto's per fotograaf, is een leugen. Wiskundig gezien is het waar, maar het zegt niet echt iets belangrijks -- want in dit soort systemen is het gemiddelde niet echt belangrijk.
Dit is belangrijk. Dit is een grafiek van foto's met het label "Irak" genomen door de 529 fotografen die samen 5.445 foto's bijdroegen. Ze is gerangschikt op aantal foto's per fotograaf. Hier kan je zien, aan de linkerkant, dat de fotograaf die de meeste foto's bijdroeg, ongeveer 350 foto's heeft genomen. Je kan zien dat een aantal mensen een paar honderd foto's hebben genomen. Dan zijn er tientallen mensen die tientallen foto's hebben genomen. En wanneer je hier komt, dan hebben we tien of minder foto's en dan is er deze lange platte staart. Wanneer je halverwege zit, heb je honderden mensen die slechts één foto per persoon hebben bijgedragen.
Dat heet een verdeling volgens een machtsfunctie. Het komt vaak voor in niet-geforceerde sociale systemen. Waar mensen zo veel of zo weinig als ze willen mogen bijdragen, is dit vaak wat je ziet. De wiskunde achter de machtsfunctie is dat wat op de n-de positie staat, ongeveer één n-de bevat van datgene dat er gemeten wordt, vergeleken met de persoon op de eerste plaats. Dus we zouden verwachten dat de tiende meest bijdragende fotograaf ongeveer één tiende van het aantal foto's heeft bijgedragen, en dat de honderdste fotograaf slechts één honderdste zoveel foto's heeft bijgedragen als de eerste. Dus de kop van de curve kan scherper of vlakker zijn, maar de basiswiskunde staat voor zowel de steile helling als de lange, vlakke staart.
Opvallend: als deze systemen groter worden, dan convergeren ze niet; ze gaan verder uit elkaar. In grotere systemen wordt de kop groter en de staart langer, dus het wordt minder gebalanceerd. Je ziet duidelijk dat deze lijn aan de linkerkant veel zwaarder is. Zo zwaar: als je de eerste 10% van de fotografen die bijdragen in dit systeem pakt, dan staan ze voor driekwart van alle foto's -- alleen maar de 10% meest bijdragende fotografen. Als je verder gaat naar vijf procent, dan heb je nog steeds 60% van alle foto's. Als je verder gaat naar één procent, en 99% van de groep uitsluit, dan heb je nog steeds bijna een kwart van alle foto's. Omdat dit naar links overhelt, ligt het gemiddelde eigenlijk hier, helemaal links. Dat klinkt raar voor onze oren, maar wat er gebeurt is dat 80% van onze bijdragers een aantal beneden het gemiddelde heeft bijgedragen. Dat klinkt raar omdat we verwachten dat gemiddelde en de mediaan ongeveer hetzelfde zijn, maar dat zijn ze helemaal niet.
Dit is de wiskundige onderbouw voor de 80/20-regel. Wanneer je iemand hoort praten over de 80/20-regel, dan hebben ze het hierover. 20% van de handel levert 80% van de inkomsten op, 20% van de gebruikers gebruikt 80% van de middelen -- als dat gebeurt, praten mensen over deze vorm. Instellingen hebben twee gereedschappen: wortels en stokken. De 80%-zone is een zone zonder wortelen en stokken. De kosten om een instelling draaiende te houden, betekenen dat je het werk van die mensen niet makkelijk in het institutionele kader kunt krijgen. Het institutionele model neigt naar links, en beschouwt deze mensen als medewerkers. De institutionele reactie is: "Ik kan 75% van de waarde krijgen als ik 10% aanneem -- geweldig! Dat ga ik doen." Het model van de coöperatieve infrastructuur zegt: "Waarom zou ik een kwart van de waarde willen laten liggen?" Als je systeem is ontworpen op een manier dat je een kwart van de waarde moet opgeven, dan pas je het systeem aan. Ga niet de kosten dragen die voorkomen dat je de bijdragen van die mensen kunt krijgen. Bouw het systeem zo dat iedereen op elk moment iedere hoeveelheid kan bijdragen.
Dus het coördinatie-antwoord vraagt niet hoe deze mensen zijn als werknemers, maar wat hun bijdrage is. Hier hebben we Psycho Milt, een Flickr-gebruiker, die één foto getiteld Irak heeft bijgedragen. En hier is de foto. Tsja. Gelabeld "Een rotdag op het werk". Dus de vraag is: wil je die foto? Ja of nee? De vraag is niet of Psycho Milt een goede werknemer is.
De spanning hier ligt tussen de instelling als schepper van mogelijkheden en de instelling als obstakel. Als je het hebt over de linkerkant van die distributies, wanneer je het hebt over mensen die veel tijd besteden aan het maken van het materiaal dat je wilt, zit je in een wereld van instelling-als-schepper-van-mogelijkheden. Je kunt die mensen als werknemers aannemen, je kunt hun werk coördineren en je kunt daar dan output uit krijgen. Maar wanneer je hier zit, waar de Psycho Milts van deze wereld één foto per keer toevoegen, dan is de instelling een obstakel.
Instellingen hebben er een hekel aan als iemand ze obstakels noemt. Eén van de eerste dingen die gebeurt als je een probleem institutionaliseert, is dat het hoofddoel van de instelling onmiddellijk omslaat van wat het nominale doel was naar lijfsbehoud. Het werkelijke doel van de instelling gaat naar positie twee tot n. Dus wanneer van instellingen wordt gezegd dat ze obstakels zijn, dat er andere manieren zijn om de waarde te coördineren, dan gaan ze door iets dat lijkt op de fasen van Kübler-Ross -- (Gelach) -- van reactie, als je verteld wordt dat je een dodelijke ziekte hebt: ontkenning, woede, onderhandeling, acceptatie. De meeste coöperatieve systemen die we gezien hebben, zijn er nog niet lang genoeg om de acceptatiefase te hebben bereikt.
Veel, veel instellingen zijn nog steeds in ontkenning, maar we zien recentelijk een hoop woede en onderhandeling. Er is een prachtig, klein voorbeeld dat nu aan de hand is. In Frankrijk klaagt een busbedrijf mensen aan omdat ze carpoolen, omwille van het feit dat ze zichzelf hebben gecoördineerd om coöperatieve waarde te creëren die hen inkomsten ontneemt. Je kunt dit volgen in The Guardian. Het is eigenlijk best grappig.
De grotere vraag is: wat doe je met de waarde daar? Hoe grijp je die? Instellingen voorkomen, zoals ik al zei, dat je die kunt grijpen. Steve Ballmer, nu de CEO van Microsoft, had een paar jaar geleden kritiek op Linux. Hij zei: "Oh, dit bedrijf heeft duizenden programmeurs die bijdragen aan Linux. Dit is een mythe. We hebben gekeken naar wie bijdraagt aan Linux en de meeste toevoegingen zijn gemaakt door programmeurs die maar één ding hebben gedaan." Je kunt deze distributie als het ware horen in dat geklaag. Je kunt zien waarom dat vanuit Ballmers oogpunt een slecht idee is. We hebben een programmeur aangenomen. Hij kwam binnen, dronk onze cola en speelde drie jaar lang tafelvoetbal en had één idee. (Gelach) Slechte zet, nietwaar? (Gelach)
De Psycho Milt-vraag is: was het een goed idee? Wat als het een beveiligingspatch was? Wat als het een beveiligingspatch was voor bufferoverloop, waar Windows er verschillende van heeft? Wil je die patch? Het feit dat een enkele programmeur, zonder dat hij een professionele relatie hoeft te hebben met een instelling, Linux één keer kan verbeteren en daarna voorgoed verdwijnt, dat moet Ballmer de stuipen op het lijf jagen. Want deze soort waarde is onbereikbaar in de klassieke institutionele raamwerken, maar het is deel van de coöperatieve systemen van open-source software, van het delen van bestanden,
van Wikipedia. Ik heb een hoop voorbeelden van Flickr gebruikt, maar er zijn verhalen over dit fenomeen uit alle hoeken. Meetup, een dienst die opgericht is zodat gebruikers mensen kunnen vinden in hun omgeving die hun interesses en affiniteiten delen, om ze te ontmoeten in de echte wereld in een café of een pub of wat dan ook. Toen Scott Heiferman Meetup oprichtte, dacht hij dat het gebruikt zou worden door treinspotters en kattenknuffelaars -- klassieke liefhebbergroepen. De uitvinders weten niet wat de uitvinding is. Wat is nummer-één-groep op Meetup, de meeste onderdelen in de meeste steden met de meeste leden, de actiefste? Moeders die thuisblijven. In de voorstedelijke Verenigde Staten, met dubbele inkomens, missen thuisblijvende moeders de sociale infrastructuur die komt uit de uitgebreide familie en locale, kleinschalige buurten. Dus ze vinden het opnieuw uit, met deze gereedschappen. Meetup is het platform, maar de waarde hier zit in de sociale infrastructuur. Als je wilt weten welke technologie de wereld gaat veranderen, kijk dan niet naar jongetjes van dertien jaar -- kijk naar jonge moeders, want zij hebben niets met technologie tenzij die hun leven echt beter maakt. Dit is veel belangrijker dan Xbox, maar het is veel minder blits.
Volgens mij is dit een revolutie. Volgens mij is dit een heel diepgaande verandering in de manier waarop de verhoudingen tussen mensen zijn ingericht. Ik gebruik dat woord bedachtzaam. Het is een revolutie in de zin van een verandering in evenwicht. Het is een hele nieuwe manier om iets te doen, met nieuwe nadelen. Op dit moment zit in de Verenigde staten een vrouw genaamd Judith Miller in de gevangenis omdat ze haar bronnen niet prijsgegeven heeft aan een federale rechtbank -- ze is reporter voor de New York Times -- in een heel abstracte en moeilijk te volgen zaak. Journalisten gaan de straat op voor de afschermingswetten. Dat zijn onze wetten -- een soort samenraapsel van wetten per staat -- die ervoor zorgen dat een journalist een bron niet hoeft te verraden. Dit gebeurt echter tegen de achtergrond van de opkomst van weblogging. Weblogging is een klassiek voorbeeld van massale amateurisatie. Het heeft ervoor gezorgd dat publiceren niet meer professioneel hoeft. Wil je wereldwijd publiceren wat je vandaag denkt? Met één druk op de knop kan je dat gratis doen. Dat heeft ervoor gezorgd dat de professionele klasse van uitgevers vervalt tot massale amateurisatie. Hoezeer we de afschermingswet ook willen -- we willen een professionele klasse van waarheid-vertellers -- ze wordt steeds incoherenter, want de instelling wordt incoherent. Er zijn mensen in Amerika die op dit moment alles doen om er achter te komen of bloggers journalisten zijn of niet. Het antwoord op die vraag is: het maakt niet uit, want dat is niet de juiste vraag. Journalistiek was een antwoord op een nog belangrijkere vraag: hoe informeer je de gemeenschap? Hoe kun je ideeën en meningen delen? Als daar een antwoord op komt dat zich situeert buiten het professionele raamwerk van journalistiek, dan is het onzinnig om een professionele metafoor te nemen en die toe te passen op deze gedistribueerde klasse. Hoeveel we ook houden van de afschermingswetten, de achtergrond -- de instelling waaraan deze werden toegekend -- verliest zijn samenhang.
Hier is een ander voorbeeld. Pro-ana, de pro-ana-groepen. Dit zijn groepen van tienermeisjes die gebruik maken van weblogs, forums, andere soorten van coöperatieve infrastructuur en die dat gebruiken om groepen op te richten om te kiezen voor anorexia. Ze plaatsen foto's van dunne modellen die ze "dunspiratie" noemen. Ze hebben slogans, zoals "Redding door Verhongering". Ze hebben zelfs armbandjes zoals die van Lance Armstrong, van die rode armbandjes die in de kleine groep staan voor "Ik probeer mijn eetstoornis te behouden". Ze wisselen tips uit, zoals, "Wanneer je iets wilt eten, maak een toilet of een vuilnisbak schoon. Het gevoel gaat over."
Wij zijn gewend dat steungroepen goed werk leveren. We hebben de houding dat steungroepen inherent goed zijn. Wat blijkt is echter dat de logica van de steungroep waardeneutraal is. Een steungroep is simpelweg een kleine groep die wil zorgen dat een manier van leven in de context van een grotere groep blijft bestaan. Nu, als de grotere groep een stelletje dronkenlappen is en de kleine groep wil nuchter blijven, dan vinden we dat een geweldige steungroep. Maar als de kleine groep tienermeisjes zijn die graag anorectisch willen blijven, dan zijn we als de dood. Wat gebeurt, is dat de normatieve doelen van de steungroepen die we gewend zijn, uit de instellingen kwamen die ze vorm hebben gegeven en niet uit de infrastructuur. Zodra de infrastructuur voor iedereen bereikbaar wordt, blijkt de logica van de steungroep voor iedereen beschikbaar te zijn, ook voor mensen die dit soort doelen najagen.
Dus er kleven belangrijke nadelen aan deze veranderingen, en ook voordelen. In de huidige omgeving hoef je alleen maar een beetje te zinspelen op het werk van actoren die geen staat zijn en proberen wereldwijde zaken te beïnvloeden en daar voordeel uit te halen. Dit is de sociale kaart van de kapers en hun handlangers die de aanvallen van 11 september hebben uitgevoerd. Het werd uitgevoerd door het analyseren van communicatiepatronen met dit soort tools. De inlichtingendiensten van de wereld doen vandaag hetzelfde voor de aanvallen van vorige week.
In dit deel van de talk moet ik je normaal vertellen welke gevolgen dit allemaal zal hebben, maar ik heb geen tijd meer, wat mooi is, want ik weet het niet. (Gelach) Het is als met de drukpers: als het echt een revolutie is, dan neemt het ons niet mee van Punt A naar Punt B. Het helpt ons van Punt A naar chaos. De drukpers luidde 200 jaar van chaos in, vanuit een wereld waar de Katholieke Kerk de organiserende politieke kracht was, tot het Verdrag van Westfalen, toen we er eindelijk achter kwamen wat de nieuwe eenheid was: de natiestaat.
Nu voorspel ik geen 200 jaar chaos als gevolg hiervan. Vijftig. Vijftig jaar waarin losjes gecoördineerde groepen steeds meer slagkracht krijgen. Hoe meer deze groepen afstand doen van de traditionele institutionele imperatieven -- zoals van tevoren bepalen wat er gaat gebeuren, of het winstmotief -- hoe meer macht ze krijgen. Instellingen zullen steeds meer onder druk komen te staan. Hoe meer rigide ze geleid worden en hoe meer ze steunen op informatiemonopolies, hoe groter de druk zal zijn. Dit gaat arena per arena gebeuren, één instelling per keer. De krachten zijn generiek, maar de resultaten zullen specifiek zijn.
Het punt hier is niet: "Dit is prachtig", of "We gaan een overgang aanschouwen van alleen instellingen naar alleen coöperatieve raamwerken." Het zal veel complexer worden dan dat. Maar het punt is dat het een enorme heraanpassing zal zijn. Aangezien we het op voorhand kunnen zien aankomen, is mijn punt in feite: we kunnen er maar beter goed in worden. Hartelijk dank. (Applaus)
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation.
In deze vooruitziende toespraak uit 2005 laat Clay Shirky zien hoe gesloten groepen en bedrijven plaats maken voor lossere netwerken waar mensen die een beetje bijdragen een grote rol hebben en waar losse samenwerking de plaats inneemt van rigide planning.
Clay Shirky argues that the history of the modern world could be rendered as the history of ways of arguing, where changes in media change what sort of arguments are possible -- with deep social and political implications. Full bio »
Translated into Dutch by Tommy van Son
Reviewed by Els De Keyser
Comments? Please email the translators above.
19:01 Posted: Jan 2007
Views 631,858 | Comments 84
19:31 Posted: Feb 2008
Views 497,774 | Comments 51
17:52 Posted: Apr 2008
Views 433,947 | Comments 83
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.