Het leek me een goed idee om gedichten voor te dragen over jeugd en ouderdom. Tot mijn verbazing bleek ik er daar heel wat van te hebben.
Het eerste gedicht draag ik op aan Spencer en diens oma, die geschokt was door zijn werk. Het heet "Vuil".
Mijn oma spoelt mijn mond met zeep;
En dat alles om een woord dat als
echo van een ander uit mijn mond rolde.
"Open," zegt ze, "Open die mond!"
en haar hand klauwt om mijn kaak.
Nu weet ik: haar leven was hard,
drie kinderen, baby's nog, verloor ze,
die haar en haar jonge zonen zonder geld achterliet.
Ze liet me staand in de gootsteen plassen,
Zou het die bittere smaak zijn die mij tot dichten heeft aangezet?
Ze woonde aan een onbestrate weg,
in een tweekamerflatje met een stankhol als keuken.
Daar zat ze me achterna, daar pinde ze me vast.
nooit meer echt van haar gehouden heb?
en tot het eind bleef het verdriet, de misère.
Toen dat in een tijdschrift werd gepubliceerd, kreeg ik een woedende brief van mijn oom. "Je hebt een prachtvrouw door het slijk gehaald." Met wat diplomatie heb ik de plooien gladgestreken.
Nu volgt "Het huisschort". Dit is een langer gedicht.
die voor mij nu nog slechts als vluchtige herinneringen herleven,
tijden waarin je 's ochtends vaak werd gewekt door een aanzwellend vogelkoor
gevolgd door het gedempte getrappel van het paard van de melkboer onder aan de straat,
tijden waarin je vrijwel iedere avond als laatste
je vader in zijn auto hoorde voorrijden,
na een werkdag die altijd te lang was,
eerst klossend naar de kelder, naar de ketel,
om as uit te scheppen en de klep te verzetten, en vervolgens naar boven, waar hij zijn bed in rolde.
droegen vrouwen, mijn moeder, de moeders van mijn vrienden, buurvrouwen, alle vrouwen die ik kende,
een groot deel van de dag het zogenaamde huisschort,
een goedkope, bedrukte lap, schijnbaar met opzet vormeloze lichtkatoenen hoezen, die je over je nachthemd droeg,
en als je naar een kind op zoek ging, was aan de lijn hing, of even iets haalde bij de winkel op de hoek,
onder een jas. De verwrongen zoom van je nachthemd stak er dan slap en vergeeld onder uit.
Meer nog dan aan de krulspelden waarmee sommige vrouwen voortdurend hun haar leken voor te bereiden op een feest
-- een bal dansant wellicht -- dat zich nooit voordeed;
meer nog dan aan de gezichten die overdag meestal zonder enig spoortje make-up,
afgekrabd, gebleekt, met overdadig geplukte wenkbrauwen enge maskers verbeeldden;
was het aan die schorten te wijten dat vrouwen zulke onbevattelijke en afstotende wezens werden.
Raadselachtige figuren, niet toegankelijk voor mannen, niet bevattelijk voor jongens.
Later pas zag ik in die schorten een proclamatie:
in jouw schemerige keuken, bij jouw was, op jouw zielloze betonnen erf,
gaf je van jezelf slechts een verzinsel prijs.
Je ware aard, je zinnelijkheid, verhulde je met die neutrale hobbezakken, want dat domein was van jou en jou alleen.
Verhullen was in die dagen aan de orde van de dag:
volwassen mannen omhelsden elkaar alleen als er iemand was gestorven, en zelfs dan niet altijd. Je schudde elkaar de hand,
of sloeg elkaar op de schouder, op het sportveld bijvoorbeeld, gecodeerde genegenheid in een uitwisseling van klappen.
Na de jaren van je jeugd voelde je nooit meer je vaders snor over je wang kietelen,
pas toen zich nieuwe mores ontvouwden, kon je als man een andere man omhelzen, vasthouden,
een kus geven op vaders stoppels, nu wit en stijf.
Welk een ontlading school er in zo'n omhelzing, hoe omzichtig -- want schijnbaar roekeloos -- ook.
Welk een onuitgesproken vreugde in de bevestiging van gelijkwaardigheid
en gemeenschappelijkheid, ondanks alle misverstanden, alle pijn die tussenbeide was gekomen.
Wat wisten we weinig in die dagen, net zo weinig als nu, lijkt me, over het helen van onze wonden.
Zelfs de vrouwen, in hun mooiste jurken, kralen en lovers op de lijfjes,
lipstick, mascara zelfs, het haar in glooiende lokken, zelfs zij konden niets anders dan handenwringend smeken om de lieve vrede,
terwijl vader en zoon als schurken, als dieven, als Romeinen, kolkend en sissend hun haat over elkaar uitstortten,
elkaar grieven bezorgden die zo diep zaten dat zelfs de latere kus en omhelzing
niet het doorsijpelen van generatie op generatie konden tegenhouden.
In lang vervlogen tijden bevond het platteland zich dicht bij de stad; boerderijen, maïsvelden, koeien;
niet ver van ons gebouw met de onbesliste bakstenen muren en het lange duistere portaal,
vond je paadjes over heuvels en tussen bomen die in je fantasie verwerden tot bergen en wouden.
Je kon nog gewoon in je eentje rondneuzen op lege plekken tussen de stratenblokken,
waar je één werd met de struiken, een schepsel van bladeren,
waar je over de grond kroop in eenzaam eenvoudig wildenbestaan.
Ook toen al verlangde je naar eenvoud, wenste je, als ze je riepen,
dat je nooit meer terug hoefde te gaan.
Nu volgt er nog een lang gedicht over oud en jong. Deze vond plaats op het moment dat we elkaar ontmoetten. Een deel van het gedicht speelt zich af in ruimte en tijd die we deelden.
Haar vijf akelige, misvormde hondjes die onophoudelijk op het dak onder mijn raam zitten te blaffen.
Haar katten, God weet hoeveel, die vast al haar tapijten bepissen, zo stinkt het op haar overloop.
Haar schaduw toen ze eens met haar ketting rommelde, waarna de deur met een klap dichtsloeg,
alleen het geblaf en de muziek -- jazz -- naar de hal doorlatend, dag en nacht.
Die keer dat ze Chris Connor met "Lush Life" draaide,
moest ik direct denken aan mijn jeugdliefde,
de allereerste, die -- tot ik haar verliet -- datzelfde liedje draaide.
Haar hoofd op mijn schouder, hand op mijn dij,
haar zoete gekweel over spijt en verlies waar ze nog veel te jong voor was.
Net zoals ik later veel te jong was om haar pijn te bevatten,
die me via schrik en verveling tot afkeer bewoog.
Ik koesterde de gedachte aan mijn liefje in dit benauwde hok in de Village, mijn liefje als die buurvrouw.
De gedachte dat we elkaar zouden ontmoeten, herkennen, weer vrienden zouden worden, ik boete mocht doen.
Tot ik haar zag bij de brievenbus. Ze was het niet.
Grijsgeel haar, nachtjapon over legerbroek,
half van me afgewend, afgeleefd gezicht. Ze verbergt het in haar handen en mompelt een misplaatst "hoi".
Soms hoor je in het trapportaal vreselijke dingen,
een mannenstem die brult: "Kop dicht!" Haar hondjes die grommen,
met hun nagels schrapen, en dan haar stem, hees, hard, hol. Meer een losse klank eigenlijk,
een warrige snerp, bot op metaal, metaal dat wegsmelt
in haar smeekbede: "Kom terug liefjes, kom schatjes. Engeltjes, kom dan terug."
een toverheks in extatische trance. Stokstijf stond ze op de stoep,
haar voddige jas halfopen, tussen de stromen voorbijgangers.
Plotseling trok haar mond open in een soort van schreeuw
zonder woorden, alsof die bleven steken in brein of borst.
Haar kreet was dermate doorleefd dat een stem niet nodig was, of simpelweg tekortschoot.
Onzichtbare banden trekken aan ons, transfiguratie, zelfs van leed, houdt ons gevangen.
Terug naar mijn ex-liefde, die ik voor het laatst zag
toen ze me kwam halen op een feestje,
waar ze met haar dronken kop ondersteboven ging. Rok omhoog, ogen bloeddoorlopen, vol tranen, schaamte, schande.
Ik betoonde me een domme, arrogante lomperik, een verwaande kwast die haar ontkende.
Stilleven op een dak, dode bomen in vaten, een gebarsten bank, honden, poep, de lucht.
Hoe je een weg te banen door pijn, waar komt kwetsbaarheid op je pad, hoe neem je de kruisingen, wat kom je tegen?
Er zijn teveel levens gepropt in ons bestaan, de kans op verdriet is te groot, het onverantwoorde verleden oneindig.
"Aanschouw mij," aldus de god van uitzinnige, onuitputtelijke liefde. Bloedrood en krachtig: "Aanschouw mij."
Tergend langzaam daalt ze de vervuilde trappen af, voetje voor voetje.
Ik houd de deur voor haar open.
Ze schuift over de gebrokkelde tegels, aarzelt bij het afstapje naar de straat
en bromt met afgewend gelaat: "Help je me even?"
Ze pakt mijn arm, leunt lichtjes tegen me aan en zet een wankelmoedige stap in de wereld.
"Bedankt schat." Lichtjes, heel lichtjes, fluistert ze me toe.
Tijd voor een vrolijke noot. (Gelach) Een heel ander soort gedicht over jeugd en ouderdom.
als de dame met het blauwe haar in de wachtruimte bij de dokter zich over het tafeltje met tijdschriften buigt,
een scheet laat en in heftig blozen uitbarst:
Zou het niet aardig zijn darmgas in heuse wolken belichaamd te zien,
zodat ze zelf had kunnen zien dat haar onschuldige windje amper mijn gezicht schampte
Bovendien treft me in dit voorval de toevalligheid, want nog geen uur geleden, tijdens ons ommetje,
had mijn hond uit schrik om een knallende motor een sprong gemaakt die een bokkend paard niet zou misstaan.
En dat deed me weer denken aan de stal waar ik toen ik twaalf was in de weekenden werkte,
en aan een prachtige bonte hengst,
die als hij werd bestegen altijd bokte, sterk uitvergroot natuurlijk, reusachtig, glanzend beest dat hij was.
De vrouw, die zich nu beschaamd achter haar "Elle" verschuilt, herinnert me eraan
dat het paard met name zo'n indruk op me maakte vanwege het feit dat hij bij elke sprong
Dat feit vond ik nooit terug in de stapels boeken over paarden en hun berijders die ik in die tijd verslond.
Primitieve pracht en praal, koudglanzende hoeven, oprispingen diep uit het binnenste van dit grootse wezen,
adem stil, hart stil, neusgaten wijd open.
Ik twijfelde of ik hem wilde breken of wilde zijn.
Het volgende gedicht heet "Dorst". Ik dicht meestal over de stad. Vandaag draag ik toevallig wat buitenbeentjes voor.
Over mijn verhouding tot de vrouw die afgelopen herfst en winter
dag en nacht bivakkeerde op een bankje in het metrostation bij 103rd Street, tot ze plotseling verdwenen was.
We staarden, namen elk detail van de ander in ons op.
Mijn blik van opzij, schuw maar hopelijk niet steels.
Haar doordringende ogen, vrijmoedig, strijdlustig, furieus wanneer haar fles leeg was.
Ik was bang voor haar. Als een kind.
Ik was bang dat een onderdrukt deel van mij zich zou laten gaan, dat ik me voor eeuwig
in haar woedende walmen zou wentelen.
Het ging om meer dan poep, meer dan ongewassen oppervlak en opening, dispersie van drank,
het had een zekere wilskracht, een intentie, een krachtige betekenis. Er was fel maatschappelijk en moreel verzet,
vermengd met wanhoop, verdriet, verlies.
Soms overwoog ik haar mee naar huis te nemen, voor het comfort van bad en verschoning,
Maar dan bedacht ik dat ze toch niet zou willen en stapte in de trein.
Wat kunnen we dat toch goed, dacht ik dan, onszelf ontheffen,
volharden in die kille, ja dodelijke zekerheid dat overweging alleen al ons besluit rechtvaardigt.
Het ritmische van onze blikken, na de botsing confronterende benadering van wederzijdse werkelijkheden:
holocaust, holocaust. Massa's geestelijke beproevingen, alles verbrast, alles verbruikt.
Haar waakzaamheid blijft, zoveel weet ik.
Met absolute toewijding bezet ze haar plek.
We trekken aan, we stoten af, we verdwijnen, er geurt ontsteltenis in onze blik.
Dit is een nieuw gedicht, kakelvers eigenlijk. Het heet: "Zo gebeurde het."
Een scholiere van het lyceum houdt zich op de vierde verdieping op,
in de gang, op de vensterbank, bij het open raam. De jonge vrouw kletst wat met vriendinnen,
een passerende leraar leest haar de les: "Voorzichtig, anders val je nog." Het heeft iets goedmoedigs, gekscherends:
Achttien is ze, een meisje dus eerder,
hoewel ze dat zelf niet zo zou zien, ze is immers de beste van de klas, en heeft, zo zegt men, "Een knap toetje."
Ze glimlacht en leunt nog wat verder uit het raam, dat in de winter niet eens open zou hebben gestaan.
In de winter zou men het wel hebben dichtgedaan ("Dicht dat raam!")
Ze leunt voorover, met een brede glimlach,
verder en verder, wat langer klinkt dan de luttele tel die het kostte, en ze laat zich vallen.
Een achteloos gebaar, een gril, een ondoordachte ingeving die ze nooit eerder heeft gehad.
Nee, het is meer dan dat, het meisje weet wat ze doet,
ze weet wat ze ermee wil zeggen. Ze zégt er iets mee,
omdat het in die ene tel tot haar doordringt dat ze, briljante geest, knappe kop en al, niet is wie ze is.
Ze is niet de persoon die ze is,
en plotseling beseft ze waarom. Er is zoveel zorgvuldig voor haar opgezet,
plannen uitgezet, koersen uitgestippeld,
dat er amper ruimte is voor haar persoon. Als er al ruimte is, dan niet of nauwelijks voor haar.
Het is een bestaan dat door haar wordt bewoond,
en het lijkt wel of ze nu pas goed beseft wat eraan ontbreekt:
niet de vaste vormgeving maar een zacht zijn, een spontaan beleven van het al, zacht zijn.
Zwaar is het leven dat me wegdrukt.
Zwaar is het zijn dat zacht de wereld raakt maar nooit zichzelf.
Zwaar leef ik onder de druk van dat zijn, en daarom is het bevrijding waarnaar ik verlang en die ik bereik.
En het meisje herinnert zich in dit oneindige ogenblik dat toch talloze malen is gedeeld,
verdriet in het verleden, een halfbewust verlangen
want zelfs de aarde weet, ondanks haar drang om al wat valt, aan te trekken, dat vallen absurd is.
Maar ik ben het vallende meisje niet, of liever: zij is mij niet, ze is een zelf dat ik uit vrije wil bij me heb genomen. Voor altijd. In zacht zijn.
Nog eentje dan. Meestal zeg ik dat niet. Meestal stop ik gewoon. Maar ik ben bang dat Ricky dan verhaal komt halen.
Het laatste gedicht heet "Oude man." Toepasselijk.
Aldus de advertentie voor een softcore tijdschrift in de plaatselijke kiosk.
Een voluptueus verlangende blondine spreidt haar gouden lichaam gul voor me uit.
Bijna zestig en nog laat ik me onwillekeurig meeslepen in een droom rondom deze del.
Misschien heeft opgroeien in de zwevende Amerikaanse zinnelijkheid
zonder vrij zicht op een tepel of ongecensureerde vagina
me voor eeuwig verpest met onstilbaar verlangen naar plaatjes.
ik herken mezelf niet zonder een opwellend verlangen.
Maar ach, er zijn ergere obsessies denkbaar.
Vorig jaar verbood een jonge extreem-orthodoxe rabbi enkele tienermeisjes tijdens een rondleiding door de holocausthallen
de toegang tot een bepaalde ruimte, omdat hij het werk aldaar te losbandig van aard vond.
Het betrof een foto van geheel ontklede mannen en vrouwen
die uit schaamte hun genitaliën bedekten of uit angst zelfs dat niet konden.
In de sneeuw stonden zij te wachten op het genadeschot, en daarna de kuil.
Tot mijn verbijstering wendden de meisjes hun blik af.
Diep had de aangeleerde argwaan zich in hun zinnelijkheid geboord.
Zelfs daar. Nog een bekentenis:
In een boek over het vooroorlogse Polen
trof mij het portret van een engel, een echte engel met gekwelde, kwellende ogen.
Haar bladzijde bleef maar aan mij trekken.
Juist omdat ze in een kamp was gestorven -- en vraag me niet waarom --
was ze voor mij dierbaarder en dichterbij.
Dood in een kamp, ook dat hielden mensen -- de joden althans -- in die tijd verborgen voor hun kinderen.
Maar net zoals dat ging met seks: je wist 't toch.
Seks en dood kunnen elkaar zó na staan.
Tergend bewust van de tegemoetkomende dood lijkt het soms alsof ik die twee door elkaar haal.
De lieftalligheid van mijn vrouw vreet aan me.
Mijn begeerte kent waar het haar betreft geen redelijkheid.
Als we de liefde bedrijven en zij me omgeeft met alles wat zij heeft, ben ik er wel en ook niet.
Mijn hoofd krioelt van de gezichten, stemmen, indrukken,
mijn leven flitst aan me voorbij, als bij de verdrinkingsdood.
En dan verdrink ik in vertwijfeling: haar achterlaten, dit alles achterlaten, ondraaglijk, ondoenlijk.
En toch: te sterven zonder zware schuldgevoelens, niet afgeslacht, niet geknecht,
niet bekend met de volgende golf van massale woede of terugval, kan een opluchting zijn.
Nee. Ach welnee. Dat geloof ik zelf niet eens.
Ik geloof dat de ban van het wereldse -- het goede en het slechte --
zo sterk is dat ik in mijn dwaasheid zelfs door deze nep-Venus
met haar zogenaamde hitte en gelgevulde tieten nog zo diep geroerd word
dat mijn adem stokt. Verleidster. Femme Fatale.
Ze onthult veel meer met haar gedrukte glorie dan ze ooit zal weten.
Ze is de verpersoonlijking van onze wanhopige hunkering naar affectie,
onze voorkeur voor een leven vol schoonheid, in schoonheid, aanbeden met blikken,
You can share this video by copying this HTML to your clipboard and pasting into your blog or web page. This video will play with subtitles.
You either have JavaScript turned off or have an old version of the Adobe Flash Player. To view this rating widget you
need to get the latest Flash player.
If your browser allows only "trusted sites" to execute Javascript, you should add the "googleapis.com" domain to your whitelist to allow our Flash detection to work properly.
Got an idea, question, or debate inspired by this talk? Start a TED Conversation.
Dichter C.K. Williams draagt voor uit zijn werk tijdens TED2001. Zijn levendige schetsen van uit de kinderjaren overgebleven wrok, jeugdliefdes, gekke buren en het letterlijke versterven van de jeugd drukken ons met de neus op de uitdagingen van het leven.
Often called a social poet, C.K. Williams is fascinated by the characters of modern civilization and their interactions. Full bio »
Translated into Dutch by Nicolette Marié
Reviewed by Els De Keyser
Comments? Please email the translators above.
19:28 Posted: Feb 2009
Views 5,332,032 | Comments 1179
17:30 Posted: Oct 2007
Views 293,100 | Comments 35
23:34 Posted: Sep 2008
Views 210,861 | Comments 47
Just follow the guidelines outlined under our Creative Commons license.
This comment will be attributed to . Not ? Sign Out.